Vrouwen in duistere tijden Alicja Gescinska

Het tegendeel van liefde is geen haat, maar onverschilligheid. Elie Wiesel

Met de Senia leesgroep lazen we zomer ’26 het boek Vrouwen in duistere tijden van Alicja Gescinska. Aanleiding was dat ze dit jaar met dit boek de Socratesbeker won van de stichting maand van de filosofie. De jury schreef over het boek: “Gescinska combineert in Vrouwen in duistere tijden een vlammende actualiteit met een doordachte, toegankelijke en noodzakelijke filosofische missie; een boek dat de lezer niet alleen iets nieuws leert, maar ook iets laat voelen: de moed om in duistere tijden een lichtje te zijn“.

In het  boek behandelt Gescinska de levensloop en belangrijkste denkbeelden van 10 vrouwen uit de vorige eeuw. Het gaat om filosofes, journalisten, dichters, religieuze denkers en politiek actieve vrouwen. En ook de denkbeelden bestrijken een breed terrein. Gescinska pakt uit de levensverhalen thema’s als empathie, moed, menselijkheid, vrijheid, hoop, aandacht, vriendschap. We hebben drie bijeenkomsten aan het boek besteedt, waarbij elke deelnemer een of meer hoofdstukken voorbereidde door het leven en het thema van de betreffende vrouw kort samen te vatten en een gespreksthema inbracht. Echter om recht te doen aan de levensgeschiedenissen en de gekozen thema’s van Gescinska doen zelfs drie besprekingen het werk van de schrijfster te kort als het gaat om het werk dat ze deed m.b.t. het verzamelen, samenvatten en uitwerken van de kernboodschap van deze vrouwen. En eigenlijk hadden we een vierde bijeenkomst moeten houden om het geheel van het boek nog eens tegen het licht te houden. Dat is wat ik met deze tekst probeer te doen.

1. Inzet van de schrijfster.

De titel van het boek geeft al een idee van haar bedoeling. Ze wil vrouwen in het licht zetten, vrouwen die in hun tijd minder kansen kregen. Ik denk aan Edith Stein die als filosoof  aan de universiteit van Freiburg in de omgeving van Husserl en Heidegger, zich als vrouw minder goed kon ontwikkelen. Maar ze zoekt ook naar hoe vrouwen in hun tijd en context eigen manieren hadden om overeind te blijven en hun eigen levensthema’s onderzochten. Hoewel de schrijfster dit niet nadrukkelijk zo noemt zou je kunnen spreken over een vrouwelijke manier van kijken, hoezeer dat ook rolbevestigend klinkt. Het tweede is het begrip Duistere tijden. Nadrukkelijk besteedt ze in de levensbeschrijvingen veel aandacht aan de maatschappelijke context wat zeer verhelderend is. Ik denk bijvoorbeeld aan de politieke denkbeelden en handelen van Rosa Luxemburg aan het begin van de 20e eeuw en de achtergronden van haar dood. Het begrip ‘duister’ is passend  maar ook zeer breed. Aan bod komen de omstandigheden van eerste en tweede wereldoorlog, maar ook de naoorlogs periode van communisme. Maar bijna automatisch betrek je dat wat je leest op het leven in onze huidige tijd. Iets wat volgens mij de schrijfster nadrukkelijk beoogt. Als je kijkt naar de oorlog in Oekraïne, het conflict tussen Israël en de Palestijnen, de heftige debatten over migratie en vluchtelingen dan kun je opnieuw spreken over duistere tijden, zaken die opnieuw een moreel appèl op ons doen.

In haar inleiding en uitleiding geeft ze aanwijzingen van wat voor haar belangrijk is. Ze start bij haar eigen levensloop als Pools meisje die met haar ouders naar België vlucht en een aantal jaren in een opvang woont. Al die ervaringen brengen haar tot drie thema’s: 1. Onvrijheid versus vrijheid. Vrijheid is geen vanzelfsprekendheid. Ze kent vele vormen. Wanneer is een mens echt vrij? Is vrijheid datgene wat een mens mag doen of meet je het af aan wat een mens kan doen? Zowel vrijheid als menselijkheid zijn zowel fundamentele als fragiele aspecten van ons bestaan. Geen gegevenheden, maar verworvenheden die ook weer makkelijk verloren kunnen gaan. Het is een krachtenveld waarin we staan. Er zijn elementen die ver-ontmenselijken en zaken die ons helpen om de menselijkheid te bevorderen. Krachten die vermenselijken zijn: muziek, literatuur, moraliteit. 2. Ontheemding versus thuis zijn: Ich bin ein fremdling Überall. Ze zal acht keer verhuizen, maar ook van taal veranderen, van geldsoort, geen tantes en andere familieleden in je omgeving hebben. Ze moest leren thuis te zijn in ontheemding. Ze koppelt dit aan het mozaïek van de 10 levensverhalen in het boek, die ze ook in zichzelf ziet. Ook deze vrouwen hebben in ontheemding geleefd. Ze schrijft op p. 19: ‘Daarom is dit boek ook zeer persoonlijk. Het schetst niet enkel tien belangrijke levens, het schetst datgene wat me in mijn diepste wezen raakt en wat mijn denken beweegt’. 3. Ontmenselijking versus humanisering.  Ze is er van overtuigd dat kennismaking met het leven en denken van deze 10 vrouwen kan bijdragen om een beter begrip te krijgen van de tragedies vroeger maar ook die van vandaag. Aan deze drie thema’s voegt ze een vierde sleutelwoord toe: Onverschilligheid. De vorige drie thema’s zijn alleen mogelijk als wij, de anderen onverschillig blijven. Dat maakt de wereld onherbergzamer. De vrouwen uit het boek worden gezien als lichtbronnen, voorbeelden of wegwijzers in duistere tijden. Dan noemt ze nog twee aandachtspunten die in elke tijd aan de orde zijn. Allereerst iets wat te lezen is in het hoofdstuk over Martha Gellhorn die in 1945 het concentratiekamp Dachau bezocht. Een overlevende zei tegen haar: ‘Its a bit late’. ‘Nu’ is altijd het juiste moment om het goede te doen. Het kwaad en het gebrek in de wereld zijn onophoudelijk en dus moet ook de inzet van de mens en de strijd daartegen onophoudelijk zijn. De tien schrijfster en filosofen wisten dit of werden hier mee geconfronteerd en ze leefden naar dat besef. Gescinska schrijft: ‘In de moraal is uitstel altijd afstel en later zal altijd te laat zijn’. p. 27. Wacht niet tot het bewijs van het kwaad zo groot is dat niemand het meer kan ontkennen. Dan kan het inderdaad “te laat” zijn. Het tweede is dat wij dagelijks geconfronteerd worden met informatie over oorlog; klimaat; vluchtelingen; discriminatie en uitsluiting enz. Het effect daarvan is mogelijk affectieve overbelasting. Hoe meer leed we kunnen zien, hoe moeilijker het soms wordt om op afzonderlijk leed te worden aangesproken. Maar we kunnen niet meer zeggen dat we het niet weten.  Ieder mens moet daar in zijn leven antwoord op geven. De levensverhalen van de vrouwen in het boek zijn voorbeelden van hoe je dat doet. In al z’n diversiteit en complexiteit.

2. Belang van de geschiedenis en de verbinding met onze tijd.

Gescinska benoemt een aantal thema’s die in onze tijd spelen: afbraak van de internationale rechtsorde, totalitair en autoritair denken, illiberalisme, maar is ook zeer resoluut als het gaat om het belang van het kennen van geschiedenis, maar tegelijkertijd kun je vroeger niet op het nu plakken. Vergelijken is geen gelijkstellen. Vergelijken is relevant en een manier om de psychologische, ideologische en politieke mechanismen van toen te begrijpen als het gaat om de vraag waarom mensen zich afkeren van de idealen van vrijheid, universele verantwoordelijkheid en medemenselijkheid. Menselijk gedrag en motieven van toen zijn anders, maar ook niet veel anders dan nu. Elke eeuw kent zijn donkere tijden. De besproken vrouwen leefden in donkere tijden, maar waren ieder op haar eigen manier ook een lichtpunt, kwamen op voor waardigheid, praktiseerden menselijkheid (aandacht, empathie) analyseerden scherp het kwaad, waren vriendin. Zo kunnen ze rolmodel zijn voor andere generaties. Max Scheler sprak over Vorbilder en ‘Führer’ zijn. Rolmodellen veruitwendigen de innerlijke wereld van waarden. Want waarden zijn abstract, ontastbaar en rolmodellen (denken en handelen van mensen) maken deze waarden concreet. Maar tussen weten wat goed is en doen wat goed is gaapt vaak een grote kloof. Voor mensen die nu leven overweldigt de wereld van politiek ons. Tegelijkertijd doet het er wel degelijk toe hoe wij leven en hoe we antwoord geven op de vragen die het leven ons voor de voeten werpt. Ook nu kun je spreken van een situatie waarin vanzelfsprekendheden over menselijkheid, vrijheid en waarheid beginnen af te brokkelen. En precies daarin ligt de hedendaagse relevantie. Nl. in de vraag hoe mensen hun vrijheid kunnen bewaren wanneer menselijk maatschappelijke omstandigheden verharden.

3. Vrouwelijke filosofie?

De UvA-presentatie rond het boek formuleerde het als de vraag: wat hebben deze vrouwen ons te vertellen en hoe actueel is dat? De vrouwen laten een vorm van filosofie zien waarin denken en leven sterk met elkaar verbonden zijn. Het gaat niet alleen om: 

  • Wat is waarheid? maar ook: Hoe kan ik waarachtig leven wanneer de waarheid gevaarlijk wordt?
  • Niet alleen: Wat is vrijheid? maar: Hoe handel ik wanneer mijn vrijheid wordt aangetast.
  • Niet alleen: Wat is het goede? maar: Hoe blijf ik goed denken en handelen wanneer het kwaad rondom mij normaal begint te worden?

Als je kijkt naar de thema’s waar de vrouwen volgens Gescinska over schrijven is hun manier van filosoferen conceptueel, theoretisch en gericht op ‘waarheid’, maar gaat het ook om fenomenologisch kijken, starten vanuit de ervaring, om vandaar uit tot komen tot gedachten over vrijheid en vriendschap, menselijkheid en mededogen, én de moed om zich uit te spreken.

4.  Bouwstenen van een moreel kompas.

Gescinska noemt de vrouwen “bakens van licht”: niet omdat zij de duisternis konden opheffen, maar omdat zij binnen die duisternis een bepaalde manier van mens-zijn bleven realiseren. De actualiteit van het boek zit dus vooral in de vraag: wat doe jij, nu in deze tijd? Anders gezegd: Hoe ga je je gedragen wanneer je in omgeving onder druk komt te staan? Door deze vraag te stellen geeft het boek een antwoord op de hedendaagse verleiding om onszelf als machteloos te zien: Wat kan ik eraan doen? En het gaat ook in op het punt dat we in onze tijd overladen worden met zoveel informatie en negatief nieuws waardoor we ons lamgeslagen voelen.

De vrouwen in het boek laten aan de ene kant zien dat morele helderheid complex is, maar laten ze tegelijkertijd op verschillende manieren zien dat er altijd een zekere ruimte voor handelen, spreken, weigeren, getuigen, denken of solidair zijn blijft. Donkere tijden worden niet alleen gekenmerkt door wat dictators, oorlogen of systemen met mensen doen, maar ook door de vraag hoe gewone mensen zich onder zulke omstandigheden gedragen. Menselijkheid kun je daarmee vooral als een praktijk zien. Hoe voorkomen we dat wij pas moreel wakker worden wanneer het al te laat is? Hoe houden we onze morele vermogens wakker. Hieronder een serie elementen voor een moreel kompas die je zeker als je het boek voor de tweede keer leest uit boek kunt halen en aan je zelf kunt voorleggen. Ik noem er een paar:

1. Zelf blijven denken Hannah Arendt

Deze filosofe gaat het om het vermogen zelf te blijven denken en oordelen. Want de bedreiging komt nu niet alleen van een totalitaire staat of een totalitaire leider. Ze kan ook ontstaan door: sociale media; algoritmen; groepsdenken; desinformatie; en politieke polarisatie. Het gevaar is dan niet alleen dat iemand ons een verkeerde mening oplegt, maar ook dat we meegaan in bepaalde denkbeelden die we steeds normaler gaan vinden. Het gevaar is dat we ophouden zelf te oordelen. Juist zelf denken is een vorm van weerstand tegen ontmenselijking.

2. Empathie en gevaar van emotionele besmetting. Edith Stein

In het hoofdstuk over Edith Stein ‘Het voelen van het verstand’ beschrijft Gescinska de belangrijkste  gedachten van deze filosofe over empathie. Het gaat om de vraag hoe een mens een ander mens kan begrijpen. Empathie is bij Stein allereerst een cognitieve vaardigheid en geen emotionele reactie. En empathie (Einfühlen) wordt ook onderscheiden van sympathie (Mitfühlen). Empathie bestaat uit de daden waarmee we de ervaring van een ander begrijpen. Het is een innerlijke participatie in het bewustzijn van de ander, maar het is geen eenheid met de ander, geen gedeeld ik. Je bent wel verbonden, maar je kunt niet de ander zijn. Ze stelt zich ook de vraag wat er gebeurt als je als kind wordt opgevoed door ouders die haat tegen joden koesteren. In dat geval is geen sprake van empathie maar van emotionele besmetting. Ze verwijst daarbij naar het boek ‘Idolenlehre’ van Max Scheler. In zijn idee is er sprake van ‘Ansteckung’ omdat de emotie haat dieper inzicht in de weg staat. Stein spreekt dan van twee soorten misleiding. a. waardenmisleiding (foutief waarderen van anderen) en b. zelfmisleiding (je eigen vooroordeel tot maatstaf maken omwille van loyaliteit naar een bepaalde groep). Dit  is naar haar idee het gevolg van een gebrek aan empathische relaties en oprecht contact met anderen. Hiertegenover: in empathische relaties ontstaat juist een wereld van waarden.  Ook in het hoofdstuk over Jeanne Hersch komt Max Scheler en het begrip gevoelsbesmetting ter sprake. Bepaalde emoties en attitudes zoals afkeer, haat, ressentiment verspreiden zich gemakkelijk onder mensen zoals een olievlek in de zee. Het zijn meningen en ideeën, maar niet als zuiver geestelijke kwesties maar ze komen ook lichamelijk tot stand. De besmetting is een lichamelijke overdracht van overtuigingen en in het bijzonder totalitaire ideeën.

Scheler koppelt aan zijn idee van gevoelsbesmetting het begrip ressentiment. Het is een vorm van haat, wrok en vijandigheid die voortkomt uit het idee dat iemand kwaad is gedaan en de wens heeft om wraak te nemen die voortkomt vanuit een langdurig vergiftigde emotionele houding. Deze ontstaat door ervaren vernedering; afgunst; machteloosheid; of de behoefte een zondebok aan te wijzen. Wanneer ressentiment via Gefühlsansteckung wordt verspreid, ontstaat een zichzelf versterkend proces. Men gaat niet eerst haten omdat men argumenten heeft. Men neemt de haat over en zoekt daarna argumenten die haar rechtvaardigen. In de jaren dertig was dit mechanisme veelvuldig werkzaam. Groepsdruk en sociaal conformisme, de vatbaarheid voor giftige gedachten is niet louter psychologische te begrijpen, maar gaat via demonstreren, samen schreeuwen, houdingen, gebaren. Het is volgens Hersch aan de politiek om deze vatbaarheid voor het kwaad zien in te tomen. De les is hier oefen je empatische vaardigheden. Zien we de ander werkelijk? En als aanvulling op het zelf nadenken, wees scherp op vormen van emotionele stemmingmakerij.

3. De les van het kwaad Judith Shklar

Deze schrijfster wijst op het alledaagse karakter van het kwaad. Ze vindt allereerst dat de ideologie van de liberale politiek zich te veel richt op het summum bonum, het realiseren van het hoogste, beste goed, maar dat dit makkelijk uitloopt op het absolute kwaad. Zij richt zich op het vermijden van het ‘ergste kwaad’ (summum malum) is de taak van de politiek. Het toppunt van kwaad is wreedaardigheid en als ze kijkt naar de alledaagse psychologie van het kwaad, de reële zonden en ondeugden van de mens is dat bijvoorbeeld hypocrisie. Deze ondeugd staat haaks op zaken als eerlijkheid, authenticiteit en oprechtheid als waarden die nodig zijn om het morele en maatschappelijk leven van mensen in de samenleving mogelijk te maken. p. 343. De kwaliteit van de democratie wordt door de hypocrisie aangetast. Een andere vorm van alledaagse ondeugd is onrechtvaardigheid, de concrete ervaring van het slachtofferschap van het onrecht. Ze ziet dit als een bijzondere complexe emotionele ervaring met grote persoonlijke en maatschappelijke consequenties tot gevolg. Onrecht floreert niet door mensen die actief kwaad willen doen, maar door de burgerlijke nalatigheid van de massa, passieve burger die hun hoofd afwenden. Mensen die niet voldoen aan de persoonlijke normen van burgerschap zijn het die collaboreren met onrechtvaardigheid. De meeste mensen deugen wat haar betreft……..voor geen meter. Dat is haar startpunt van denken, om vervolgens tot een pleidooi te komen voor emancipatie, educatie, politieke participatie en actief burgerschap. Hoewel ze de ‘eeuwige wreedheid’ van de mens ziet,, wordt ze door Geschinska als een hoopvol denker gezien.

4. Helderheid van denken, verantwoordelijke vrijheid als waarde. Jeanne Hersch

Gescinska schrijft in haar hoofdstuk over de denkbeelden van Jeanne Hersch: ‘Zoveel van datgene waar ik reeds over had geschreven, trof ik bij haar terug aan. De noodzaak van sociale betrokkenheid en politiek engagement. De gruwelijke hekel aan de ‘ik moet niks’-mentaliteit en het nihilisme als morele perversiteit.’ Hersch schrijft zowel over de moeilijkheid van het leven om mens te worden en mens te blijven en het idee dat vrijheid geen gegeven is maar een verworvenheid.  Bij Jeanne Hersch betekent vrijheid niet alleen dat je je eigen leven mag leiden, maar ook dat jij degene bent die antwoord moet geven op wat je aantreft in je omgeving, de wereld. Dat is precies het verschil tussen keuzevrijheid en morele vrijheid. Wat doe ik met de vrijheid die ik heb tegenover een werkelijkheid waarvan ik weet dat anderen eronder lijden? Hersch gaat uit van een positieve vrijheidsdefinitie en gebruikt daarvoor het begrip ‘verantwoordelijke vrijheid’. Een mens is pas vrij wanneer hij zijn verantwoordelijkheid neemt tegenover zichzelf en anderen. Dit is een morele invulling van het begrip vrijheid. Vrij zijn met en voor elkaar. Het is een vorm van morele zelfbepaling. Maar de opdracht een mens te zijn die uitgaat van verantwoordelijke vrijheid is iets wat je wel moet leren.  Het appèl dat Hersch doet is om  je vrijheid en verantwoordelijkheid niet verliezen aan omstandigheden. Niemand is verschoond van de taak om een goed mens te zijn en in het onmenselijk behandelen van anderen verlies je je eigen menselijkheid. Vrijheid is bij Hersch het antwoord op de vraag: Wat doe ik met de handelingsruimte die mij gegeven is?

5.  Innerlijke vrijheid. Hoop en menselijkheid vast houden. Barbara Skarga

De Lets-Poolse filosofe is bekend van haar boek ‘Na de Bevrijding’ waarin ze over de ervaringen van haar gevangenschap tussen 1946 en 1954 in de Russische goelag beschrijft. Hierin schrijft ze over het kwade en duivelse in de goelag die vooral zit in de afwezigheid van het goede en de onverschilligheid. Het dagelijks leven dwong je tot gewenning aan het kwaad, het verliezen van het recht om te denken, de afstomping van je morele zintuigen en het verliezen van de eigen ziel. Skarga wijst in die situatie op het cruciale belang van de innerlijke vrijheid. Het weerstaan van het mechanisme van onverschilligheid. Volgens haar kun je die te boven komen door het vuur van de vrijheid door muziek, literatuur, medemenselijkheid en hoop. Ook zag ze hoe het samen zingen van mensen uit verschillende landen en de herinnering aan vroegere liederen haar en de gevangenen haar op de been houdt. Maar ook de vriendschap, het vermogen eenzaam te zijn, de behoefte aan liefde en tederheid. Ze ziet het als lichtstraaltjes die helpen bij het vervullen van de opgave om werkelijk mens te zijn. Geschinska zegt over ‘werkelijk mens’ zijn: ‘Als het lukt is dat een mooi en hoopgevend iets. (..) Wie er in slaagt om zelf een Mensch te zijn, redt de hele mensheid van haar ondergang. Zolang er menselijke mensen zijn, is er hoop voor de mensheid’.

6. Belang van vriendschap.

Gescinska schrijft in haar slotwoord: ‘Zoals we met onze eigen haatgevoelens en onverschilligheid de wereld onherbergzamer maken, zo maken we met ons vermogen tot vriendschap van de wereld een thuis: voor onszelf en anderen. En een vriend zijn van iemand; dat vergt geen bovenmenselijke kracht. Vriendschap is juist iets diep menselijks. Dat wij in staat zijn tot vriendschap is misschien zelfs het mooiste geschenk dat het leven ons geeft. Die gedachte loopt als een slagader door dit hele boek. Al de vrouwen in dit boek zouden niet zijn geweest wie ze waren, mochten ze niet hun kracht en hun geloof hebben kunnen blijven halen uit de vriendschappen in hun levens. Wanneer het lot hun levens ontwrichtte, waren het vriendschappen die hen overeind hielden. Ook daarin zit een zeer persoonlijk motief en herken ik sporen van mijn eigen levensloop. Ik zou niet zijn wie ik ben zonder de vriendschappen die mijn leven kleur geven. Hoe woelig de zee van het leven ook kan zijn, in vrienden vind je vaste ankerpunten. Van vriendschap gaat een enorme existentiële troost uit, dit boek mag gerust als een ode aan vriendschap gelezen worden’. p. 352

7. Tien houdingen of gedragingen.

Om de lezer te bemoedigen sluit Gescinska haar nawoord zelf  af met 10 houdingen of gedragingen die als je het voorgaande hebt gelezen herkenbaar voor komen.

  1. Durf te twijfelen.
  2. Denk voor jezelf.
  3. Keer je niet af van anderen.
  4. Wees een goede vriend voor goede mensen.
  5. Geloof in je eigen handelingsvermogen.
  6. Behoud de hoop.
  7. Beteugel het kwaad.
  8. Bestrijd het onrecht.
  9. Maak werk van je vrijheid en van die van anderen.
  10. En vooral: leef! Leef volgens en voor je overtuigingen.

5. Nabeschouwing.

Het boek van Gescinska biedt de lezer veel. Door zorgvuldig de levenslopen van deze vrouwen te vertellen en hun belangrijkste levensvisie en lessen toe lichten, kom je veel te weten over de tijd toen, maar ook over de visie van de schrijfster zelf. Ze doet een moreel appèl op westerse burger en roept op om niet naïef te zijn als het bijvoorbeeld de oorlog tussen Rusland en Oekraine (zie Buitenhof 5okt 2026). Eigenlijk is het boek een onderzoek naar ethiek en moraliteit in alle tijden. Dus ook nu. Door alle kennis die we hebben komt onvermijdelijk de vraag naar voren welke positie we innemen tav.  grote vraagstukken, de onmenselijkheid, de onvrijheid en onderdrukking door niet democratische totalitaire regimes. Hoe voorkomen we dat we in onverschilligheid vervallen? Misschien is zelfgenoegzaamheid zelfs een preciezere term dan onverschilligheid. Onverschilligheid betekent: ‘Het kan me niet schelen’. Zelfgenoegzaamheid betekent ‘Ik hoef mijn manier van leven niet fundamenteel ter discussie te stellen’. Je kunt bijvoorbeeld: bezorgd zijn over klimaatverandering, voor gelijke rechten zijn, en toch denken: Maar mijn eigen leven hoeft daardoor niet wezenlijk te veranderen. Daar ontstaat een kloof tussen morele overtuiging en praktische consequentie. Shklar noemt het een probleem van passieve verantwoordelijkheid. Je kunt ook zeggen dat structurele verantwoordelijkheid niet verdwijnt doordat de individuele schuld moeilijk aanwijsbaar is. Daagt het me uit om iets te doen, ook als ik niet persoonlijk de oorzaak ben van kwaad, discriminatie of vervuiling? Hoe voorkomen we dat wij in onze comfortabele samenleving moreel slaapwandelend worden? Shklar zou daar waarschijnlijk aan toevoegen dat het probleem niet alleen persoonlijke deugd is: ook democratische instituties moeten burgers in staat stellen en aanmoedigen om tegen “passief onrecht” in te handelen.


Ontdek meer van Filosofie lezen.

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie