Herman De Dijn Rituelen. Waarom we niet zonder kunnen.

Wat maakt dat in de middeleeuwen het grootste deel van de mensen in de westerse wereld geloofde en dat in onze tijd dit ‘geloven’ complex is geworden? Welke ontwikkeling hebben we als mens doorgemaakt in ons zelfbeeld, in onze manier van zingeving? Als er geen richtinggevend geloof meer is, moeten we als mens dat wat van betekenis is en onze morele horizon zelf in elkaar knutselen. En blijft er dan nog ruimte over voor spiritualiteit en het transcendente? Kunnen we nog geraakt worden en geinspireerd? Hoe doe je dat dan? Dit zijn de vragen waar cultuurfilosofen en godsdienst sociologen mee bezig zijn en die in deze blog aan bod komen. In het boek Rituelen. Waarom we niet zonder kunnen, behandelt Herman de Dijn, emeritus hoogleraar aan het Hoger institutuut voor wijsbegeerte van de KU Leuven een aantal thema’s die samenhangen met moderniteit en postmoderniteit, de hedendaagse denkbeelden over religie en spiritualiteit en transformaties op dit terrein. Zijn vooronderstelling daarbij is het vermogen van de mens om zich te verwonderen over dingen uit het leven zoals de geboorte van een kind, het gevoel van dankbaarheid of de ervaring van verlies. Dit is ten tweede volgens hem verbonden met rituelen die hij ziet als de plek of wachtkamer van wonderen als betekenissen die fascineren en het leven zin geven. Dit geheel aan betekenissen die we aan ervaringen geven zijn te zien als een mythe. De opbouw van het boek is dat hij in Deel een en twee ingaat op de fenomenen van verwondering en wonder, religieus en niet religieus en in relatie tot wetenschap en filosofie en theologie. In deel drie komen verschillende moderne wegen van religiositeit en spiritualiteit aan bod. Tenslotte gaat het in deel vier om situatie in onze post- of laatmoderne tijd waarin het leven van mensen draait om het eigen ‘ik’ en de manieren waarop hedendaagse mensen hun eigen levensvisie of lifestyle bricoleren en zo het leven zin en waarde geven. Dit doen we met tekens, riten, en symbolen die we op de markt vinden. Volgens De Dijn is deze manier van mens wording beperkt. Onder de oppervlakte blijft het verlangen naar betovering en zelftranscendentie aanwezig. In deze blog geef ik kort de reactie van de groepsleden op het boek en verzamel ik wat teksten en schrijvers die eveneens nadenken over de constatering van De Dijn dat de bricolerende mens in zichzelf gevangen zit.

Reacties van de groep

De reactie van de groepsleden op het boek was divers. Een deel van de leden vond het boek niet prettig lezen vanwege de wat belerende conservatieve toon. Volgens hen lijkt het of De Dijn terug wil naar vroegere christelijke tijden toen een kerk met een duidelijke leer, rituelen en ethiek het leven van mensen kon sturen. Het lijkt alsof hij de emancipatie van katholieken en gereformeerden om hun eigen weg te gaan niet wil erkennen. Het andere deel van de groep vond dat hij een aantal interessante analyses maakt en terecht bezorgd is over de ontwikkelingen in de samenleving. Hij zet het belang van rituelen en mythen voor het maatschappelijk functioneren weer op de agenda, omdat we als mensen niet zonder overkoepelende verhalen kunnen. De individuele mens kan dit vormgeven van zijn of haar leven helemaal niet goed aan. Een van de leden irriteerde zich aan de volgorde van de hoofdstukken. Hij miste een goede analyse van de cultuur en vroeg zich af of de inzet van rituelen en het opnieuw leren van verwondering de oplossing is. Weer een ander herkende wel iets van het gemis dat de Dijn beschrijft. De ervaring van deelnemen aan de katholieke mis, het gevoel van gemeenschap zijn, is er tegenwoordig niet meer. Dat roept de vraag op of dit ooit nog beleefd kan worden. Door dat de leeservaring van de deelnemers zo tegenovergesteld was, werd het een spannende bespreking omdat onze eigen ‘religieuze’ geschiedenis op tafel kwam, het gemis aan gemeenschappelijkheid, het gesprek over het ‘hoogste goed’, de plaats van spiritualiteit en het transcendente bij ingrijpende gebeurtenissen zoals ernstige ziekte van een kind. De meesten van ons zitten in een ‘open ruimte’ (zie hiervoor Charles Taylor verderop in de tekst) tussen pertinent niet geloven en het toch zelf vorm geven aan eigen geloofs- of religieuze ervaringen. Het boek van de Dijn benoemt goed de aspecten die voor mensen in deze tijd spelen, maar hij besteedt daarbij naar mijn mening te weinig aandacht aan hoe we in deze situatie terecht zijn gekomen en komt zijn oplossing van aandacht geven aan verwondering en ritueel wat gemakkelijk uit de lucht gevallen. Daarom hieronder verslag van mijn zoektocht en verdere aanvulling.

Ik werk twee groepen van vragen en thema’s verder uit.

A. Het is de context van de tijd die maakt welke mogelijkheden er zijn voor religieus en spiritueel denken. Charles Taylor zal de zorgen van De Dijn delen, maar biedt in zijn boek ‘Een Seculiere tijd’ een breder historisch denkkader om te begrijpen waarom mensen door de Verlichting en de grote rol van wetenschappelijk denken in deze tijd niet meer kunnen geloven dat bijvoorbeeld Jezus over het water liep of sceptisch zijn over versimpeld magisch denken. Een tweede thema in zijn denken is ‘de draai naar het ik of het zelf’ die in zijn analyse  voortkomt uit het expressief individualisme ontstaan tijdens de periode van de Romantiek. Deze ontwikkelingen zijn een gegeven, wat niet wil zeggen dat ze allemaal positief zijn. Dit is precies wat Taylor de ‘malaise van de moderniteit’ noemt. Mensen willen tegenwoordig graag een waardig en authentiek leven leiden, zoeken eigen manieren om vorm te geven aan hun idealen en bezieling (Gabriel van den Brink), maar raken verstrikt in de culturele codes van de tijd. Onttovering, individualiteit en zelf je levensvisie in elkaar knutselen zijn gegevenheden, maar maakt mensen spiritueel dakloos, eenzaam en draagt bij aan mentale problemen en men spreekt zelfs over een zingevingscrisis. (Vellenga) Welke aangrijpingspunten zijn er in onze maatschappelijke context, zonder dat we in idealisme vervallen?.

B. Er worden veel begrippen gebruikt om de negatieve effecten van onze hypernerveuze samenleving te duiden en te komen met oplossingen. Maar breder speelt ook de als reductionistisch opgevatte orde van instrumenteel denken en maakbaarheid die ons verstikt. Dit denken voelt als arm. Mensen roepen: Is dit het nou in het leven? Waar zijn de vind-plekken van deugden en waarden, roeping en toewijding, besef en verbinding met  een groter geheel, iets wat groter en anders is dan jezelf. Hoe doorbreken we de spirituele leegte van onze tijd. Ook hier spelen tal van begrippen en vragen.

A. Malaise van de moderniteit.

De centrale vraag in Taylors boek Seculiere tijd is hoe de context en cultuur van de samenleving het mogelijk of juist moeilijk maakt om te geloven. Daarvoor maakt hij een historische analyse van de ontwikkeling van het  christelijk geloof. Denk daarbij aan de axiale tijd, ontstaan van christendom vanuit jodendom en Griekse filosofie, middeleeuwse verhoudingen, de Protestante en katholieke Hervormingsbeweging in de 16e en 17e eeuw en doorwerking van Verlichting en romantiek op de cultuur en het emancipatoir denken van mensen over hun eigen mogelijkheden los van kerk, adel, machthebbers. Steeds opnieuw laat hij zien hoe bepaalde economische en sociale ontwikkelingen van invloed waren op geloofsdenkbeelden, maar ook andersom dat bepaalde ideeën van invloed waren op de mogelijkheden van de samenleving. Door dit te doen nuanceert hij de oppervlakkige secularisatiethese dat moderniteit automatisch verlies van geloof betekent.  Dit noemt hij de distractietheorie. Secularisatie is niet het verdwijnen van religie, maar een verandering van de ‘voorwaarden om tot geloof te komen’.

Ik geef toelichting bij voor hem kenmerkende sleutelwoorden en begrippen

  • Hervorming. De reformatie in de 15e en 16e eeuw  (zowel protestants als katholiek) keert zich tegen wat men zag als bijgeloof, magie, een te losse moraal en oppervlakkigheid kwa rituelen. In de idee van Taylor werkt deze poging om tot een intenser, dieper innerlijk geloof te komen uiteindelijk paradoxaal uit en leidt juist tot loskomen van kerk en geloof. Deze hervormingsdrang van Luther en Calvijn leidde tot een diepgaande sociale disciplinering: strengere controle op gedrag (seksualiteit, drank, arbeid), nadruk op arbeidsethos en plichtsbesef, regulering van tijd (werkritme, zondag), onderwijs en catechese voor iedereen. Rituele feesten vanuit de mythische volksgebruiken, maar ook zoiets als carnaval werd afgeremd of verboden. De nieuwe mens moest ethisch, ordelijk en rationeel denken en handelen. Deze correctie van het volk door de elite van burgerij en priesters en dominees noemt Taylor mobilisatie. Door deze disciplinering verandert ook denken over de mens. Stonden de middeleeuwse mensen open voor  invloeden van buiten (geesten, genade, kosmos) ontwikkelt zich door de Hervorming en Verlichting een nieuw mensbeeld. De mens als innerlijk, afgesloten, moreel verantwoordelijk subject. Hij gebruikt hiervoor de begrippen poreus zelf en omsloten zelf. (porous self naar buffered self) Deze overgang betekent in de loop van een aantal eeuwen een psychologische en culturele revolutie die secularisatie bevorderd omdat a. de sterke disciplinering als veeleisend in plaats van vanzelfsprekend werd ervaren en het morele ideaal  zo hoog wordt dat mensen afhaken. b. De hervorming meehielp bij het onttoveren van de werkelijkheid en tegelijkertijd het individuele besef en verantwoordelijkheid bevorderde. Hervormde mensen kunnen zo een wereld creëren die rationeel en beheersbaar is. Denk daarbij aan ontwikkeling van nieuwe producten en technieken, handel, wederzijds vertrouwen. In de periode van het deïsme komen God en geloof op meer afstand te staan. c. Het sacrale “vanzelfsprekende” van magie en ritueel verdwijnt en daarmee ook de directe ervaring van het heilige. Geloof wordt meer een abstract geheel van leerstellingen maar ook kwetsbaarder omdat mensen het niet meer kunnen koppelen aan de directe eigen ervaring. Dit loslatingsproces vormt de basis van het “immanent frame”: dat wil zeggen een samenleving die volledig binnen wereldlijke kaders functioneert
  • Onthecht denken. De grote theoretische transformatie van de westerse moderniteit en opkomst van natuurwetenschap heeft volgens Taylor een diepe wijziging veroorzaakt in het begrijpen van onszelf, maar ook het begrijpen van de wereld. Hij benoemt dit als onthecht denken als hij schrijft: ‘De moderne, verlichte cultuur is bijzonder theoretisch georiënteerd. We hebben de neiging in ons hoofd te leven en op onze onthechte interpretaties te vertrouwen: van ervaring, van schoonheid (we kunnen niet werkelijk aanvaarden dat ze ons iets te zeggen heeft, behalve over onze eigen gevoelens) en zelfs van het ethische: we denken dat de enige geldige vorm van ethische zelfbepaling tot stand komt via rationele principes of rationeel in zicht. We kunnen niet aanvaarden dat goed zijn deel betekent dat we ons openstellen voor bepaalde gevoelens, bijvoorbeeld de afschuw van kindermoord, of agape als diepgevoelde instincten’. p. 726
  • Expressief individualisme. Cruciaal in zijn analyse van secularisatie zijn de ontwikkelingen in de twintigste eeuw. Door nieuwe sociale omstandigheden ontstaat er meer ruimte voor de individuele ontwikkeling van mensen. Dit zelfbesef komt op in de tijd van de Romantiek. Hoewel dit voor de elite al mogelijk was in de twee eeuwen daarvoor krijgt de grote groep jongeren vanaf 1920 en met name in de 60er jaren de ruimte zich op allerlei terreinen de mogelijkheid zichzelf te ontwikkelen. Taylor spreekt over het tijdperk van authenticiteit waarin het expressief individualisme centraal staat. Mensen krijgen de ruimte hun eigen gevoel en streven te ontwikkelen. Sterker dat moeten ze autonoom doen. Tegelijkertijd wordt de invloed van sociale organisaties en media zoals politieke partijen, vakbonden, kerken op het individuele leven van mensen minder. De moderne sociale structuren bevorderen een nieuw type individu: autonoom, met de nadruk op zelfbepaling en gericht op persoonlijke authenticiteit. Deze draai naar het subject (subjective turn) maakt dat mensen van nu de vraag stellen: wat betekent dit voor mij? Wat heb ik er aan? Ervaar ik dit ook? Kan ik dit onderschrijven. Dit hangt samen met het begrip omsloten zelf.
  • Verinnerlijking. Taylor schrijft: ‘We hebben over onttovering gesproken. Die heeft veel facetten. Hier wil ik allereerst het ‘innerlijke’ aspect noemen, de vervanging van het poreuze zelf door het omsloten zelf, voor wie het vanzelfsprekend wordt dat alle denken, alle gevoelens en alle intenties, alle kenmerken die we gewoonlijk aan handelende personen toeschrijven, zich in de geest moeten bevinden, die zich onderscheidt van de buitenwereld’. Voor het omsloten zelf wordt de notie van geesten, morele krachten en doelgerichte causale machten vrijwel onbegrijpelijk. De opkomst van de omsloten identiteit ging gepaard met verinnerlijking, dat wil zeggen, onderscheid tussen binnen en tussen geest en wereld als afzonderlijke loci, dat de kern is van de omsluiting zelf, en niet alleen van de uitwerking van dit onderscheid tussen binnen en buiten (..) maar ook van het ontstaan van een rijke woordenschat over innerlijkheid, van een innerlijk gebied van denken en voelen dat kon worden verkend’. p.707.
  • In het denken van Taylor sluiten omsloten zelf, discipline en individualiteit bij elkaar aan en bekrachtigen ze elkaar. In de Hervorming ontwikkelt het zelfbesef zich via het individualisme van verantwoordelijkheid (persoonlijke verbinding met God, Christus en kerk) Dit eerste individualisme ontwikkelt zich via individueel zelfonderzoek en ontwikkeling  tot het individualisme van authenticiteit. Onderweg passeert het de vorm van instrumenteel individualisme die ook de beleving van de sociale orde (Maakbaarheid) en beleving van tijd inkleurt en die Taylor definieert als seculiere tijd en onderdeel is van het ‘immanente kader’ van onze beleving van de werkelijkheid. Dit is de ‘natuurlijke orde’ die tegenover de ‘bovennatuurlijke orde’ staat. En zo staat de ‘immanente wereld’ tegenover de transcendente wereld. De immanente orde bevat een constellatie van ordeningen: kosmische, sociale en morele orde.
  • Nova-effect en bricolage. Door het hierboven proces van onttovering (rationalisering en wetenschap) en een sterker individueel denken ( zelfbepaling door discipline, verantwoordelijkheid en expressief individualisme) ontstaat een wereld waarin veel in het leven zonder God verklaard kan worden, geloof niet langer vanzelfsprekend is en ruimte ontstaat voor nieuwe en andere vormen van betekenisgeving. Taylor noemt dit het Nova effect. (sterexplosie) Omdat er geen ‘hemels baldakijn’ meer bestaat van een uniforme religieuze orde, ontstaat er een veelheid aan levensbeschouwingen die zich voortdurend uitbreiden en differentiëren. Religie verdwijnt niet, maar er ontstaat een groot scala aan manieren van geloven en niet geloven. Niet een dominant geloof, maar een veld van opties. En omdat mensen niet meer in één gelovige of levensbeschouwelijke setting opgroeien en leven worden ze gedwongen zelf hun zelfbeeld en levensvisie te construeren (bricolage), waarbij een ‘authentiek mens’ worden de norm wordt. Iedereen wordt in zekere zin zijn eigen ‘zoeker’.
  • Levensbeschouwelijk landschap. Het hedendaags levensbeschouwelijk landschap in Nederland bestaat deels uit de traditionele kerken, evangelische bewegingen en mensen die op zoek zijn naar mystiek en spiritualiteit. Daarnaast hybride vormen van  “ietsisme” of combinaties van tradities (bijv. christendom + Boedhisme, yoga, mindfulness) , pelgrimage zonder kerk en atheïstische groepen als humanisme en agnosticisme. Het gevolg van het nova-effect is dat mensen zelf zoeken naar betekenis, diepte, en transcendentie, maar ze delen tegelijkertijd  de overtuigingen van wetenschap en rationaliteit. Het effect is dubbel. Aan de ene kant biedt de nieuwe situatie ruimte aan een veelheid van ideeën en vrijheid om een persoonlijke spiritualiteit te ontwikkelen. Aan de andere kant kunnen mensen verdrinken in de veelheid van denkbeelden, maakt het hen onzeker (wat is werkelijk belangrijk) en kan het shoppen tussen opties leiden tot oppervlakkigheid.
  • Malaise van de moderniteit. Taylor evalueert de door hem beschreven ontwikkeling van moderniteit als dubbel. Aan ene kant hebben we als mens meer vrijheid, autonomie, en rechten gekregen. Aan de andere kant verlies van betekenis, diepte en oriëntatie. Deze dubbelheid benoemt hij met het begrip ‘malaise van de moderniteit’. Hij ziet daarbij drie hoofdvormen. a. de verworven individualiteit kan omslaan omdat alles draait om persoonlijke voorkeur, hogere doelen verdwijnen, en betekenisgeving gereduceerd wordt tot “wat ik wil”. Dit heeft een gevoel van leegte tot gevolg en een verarming van de morele horizon. b. de instrumentele rationaliteit (nadruk op efficiëntie, nut, controle) domineert het denken. Het gevolg is dat de natuur een hulpbron wordt, relaties worden functioneel en beleid wordt gedacht in meetbaarheid.  De inhoudelijke vraag: wat is goed? verschuift naar de vraag ‘wat werkt? c. Door individualisering en bureaucratie zijn mensen minder verbonden met een geheel, raken mensen minder publieke betrokken en sterker groeit het wantrouwen tegenover instituties. Dit alles verzwakt de democratie van binnenuit. Samengevat betekent dit alles dat mensen meer dan vroeger – wat Taylor noemt – ‘sterke evaluaties’ missen: diepe waarderingen die richting geven aan het leven. Het lijkt of mensen minder sterk gegrond zijn als het gaat om hun morele kompas.
  • Sleutelfactor authenticiteit. Taylor verwerpt de moderniteit niet en neemt daarmee een genuanceerd standpunt in. Hij verdedigt het ideaal dat je als mens je eigen, unieke manier van leven mag leiden, maar hij waarschuwt voor een vervorming als mensen losraken van betekenisvolle kaders. Hij doet dit door een sterke authenticiteit tegenover een zwakke authenticiteit te zetten. Sterk: je bent als mens verbonden met waarden buiten jezelf, staat open voor dialoog en zoekt diepte in je leven. Een zwakke versie van authenticiteit is als mensen zeggen: “ik doe gewoon wat ik wil”, als mensen in hun denken en handelen geen morele oriëntatie tonen, of als zij zonder erkenning van anderen leven. In deze tijd moeten we omgaan met lastige tegenstellingen: veel vrijheid betekent ook keuzestress; veel pluraliteit betekent onzekerheid en gebrek aan houvast; het altijd zelf een authentieke identiteit moeten zoeken kan leiden tot mentale problemen. Taylor zoekt een uitweg in het werken met ‘bronnen van betekenis’. Denk daarbij aan: religie en andere morele tradities; kunst en cultuur; ervaringen van transcendentie. Daarbij is het belangrijk dat deze gedeeld en bespreekbaar zijn met anderen. Denk aan een nagesprek van een film, een filosofiegroep of gezamenlijk bezoek aan een tentoonstelling.
  • Open ruimte voor transcendentie. Naast een open en gesloten zelf kun je ook spreken over een open of gesloten ruimte. Dit begrip komt uit het denken van de godsdienstpsycholoog William James en de vraag van Taylor is hoe de immanente orde open kan blijven en ruimte laat voor transcendentie. Duidelijk is dat de reductionistisch opgevatte orde mensen verstikt. Ze voelen en zeggen: Is dit alles wat er is in het leven? Er lijkt dan geen ruimte te zijn voor de deugden van de krijger, edelmoedig handelen, ontvankelijkheid voor het hogere, spiritualiteit, de ethiek van opoffering of besef van een groter geheel. Het lijkt alsof alle visies en meningen in onze tijd even ‘waar’ en waardevol zijn.

Conclusie:

De mens heeft in zijn denken en handelen een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Wat bedoeld was als christelijke vorming en disciplinering pakte uit als aanzet en impuls voor individualisering, secularisatie en beheersing van de wereld. Het mensbeeld verandert van poreus naar gesloten. Daarbij werden mensen gevormd in rationeel en onthecht denken en werden (religieuze) cultuuruitingen als carnaval, allerlei soorten feesten van het volk  als minder beoordeeld door de leidinggevende elite. Het maatschappelijk gevolg van dit alles is dat mensen grotendeels op zichzelf aangewezen zijn als het gaat om zin- en betekenisgeving wat niet makkelijk is. (keuzestress, gevoelens van leegte en eenzaamheid) De godsdienstsocioloog Vellenga spreekt zelfs over een zingevingstekort als hij kijkt naar de levensgebieden werk, persoonlijke relaties, vrije tijd en levensbeschouwing. Veel mensen hebben het gevoel dat ze op hun tenen moeten lopen, het persoonlijk leven veel van hen vraagt, ze niet de dingen kunnen doen in hun vrije tijd die ze het liefst willen. Dit alles uit zich in meer huiselijk geweld, het probleem van eenzaamheid en meer mensen met mentaal-emotionele problemen. In die zin spreekt hij over een zingevingscrisis (p.213) en komt met aanbevelingen als het gaat om alledaagse zingeving, behoefte aan daadkracht en grip, eigenwaarde en waardering, verbinding en geborgenheid en het belang van gesprekken over dit soort zinvragen. Door de afnemende rol van kerkelijke en andere levensbeschouwelijke organisaties is er aan de ene kant een niemandsland ontstaan omdat oude verbindingen zijn verbroken en mensen geen taal hebben om hun ervaringen te duiden. Aan de andere kant is er een nieuw open veld ontstaan van hulpverleners en alternatieven op het terrein van spiritualiteit, lichaamswerk, mindfulness, cursussen, boeken, trainingen en stadskloosters.

Als ik nu terugkijk naar het boek van De Dijn verbaast het me dat, terwijl hij het boek Seculiere tijd van Taylor zeker gelezen heeft, weinig doet met de factoren die ten grondslag liggen aan het ontstaan van de immanente orde, het gesloten zelf en individualisering en de vragen die dat oplevert. De beschrijving van de werking van het Nova effect en het maatschappelijk effect van differentiatie van ideeën en belangengroepen komt deels aan bod in het deel over mythe en ritueel in de postmoderne tijd. Daarin beschrijft hij hoe rituelen, verwondering en mythen instrument zijn geworden, gericht op de productie van aangename of interessante ervaringen. Maar en dat is zijn bezwaar zijn het rituelen en symbolen die los staan van hun oorspronkelijke overgeleverde context. Elke band met een waarheid die groter is dan onszelf, is verbroken. p. 219/220. Ook is hij kritisch als het gaat om hedendaagse vormen van ritualisering zoals bij de dood, de festivalcultuur en in de reclame. Hij zegt niets over de discussie over volksfeest nummer één n.l. vuurwerk met oudjaar en komt ook niet met aanbevelingen om mensen ‘ ritueelgevoeligheid’ aan te leren of waardengedragen verhalen. Maar ook hij noemt het probleem van het gesloten zelf en het verlangen om uit dit zelfgecentreerd denken te komen. Kortom De Dijn en Taylor delen veel van dezelfde zorgen. Het is daarom goed verder te kijken naar hoe die moderne mens kan leren ruimte te maken voor nieuwe en andere manieren van kijken en doen, met het oog op een rijker en dieper leven.

B. Nieuwe vormen van ontvankelijkheid

Zoekend op internet en in mijn eigen boekenkast kom ik hedendaagse denkers tegen, die zich verzetten zich tegen het autonome, afgesloten zelf zoals door Taylor en De Dijn beschreven wordt. Op verschillende manieren benadrukken deze denkers dat mens-zijn betekent: nog geraakt kunnen worden, ontvangen van iets van buiten jezelf, het basisidee dat we als mensen een relationeel bestaan hebben en dat we door iets buiten ons aangesproken of geroepen kunnen worden. Net als Taylor stellen ze dat moderniteit veel heeft gebracht (wetenschap, welvaart) maar ook een verlies van resonantie en diepte-ervaring betekent. De Dijn wijst er in zijn epiloog op dat die moderne mens, door alle bewustzijn en mondigheid gevangen raakt in zich zelf en vast loopt. Hij omschrijft dit als: ‘het ik dat wil ontsnappen aan het ik’. p. 260 Vanuit dit perspectief kun je begrijpen dat mensen in deze tijd via sensaties en evenementen, bestellen van pakjes en toerisme de leegheid van het gesloten zelf willen oplossen. De Dijn hoopt dat mensen in de postmoderne context er toe komen dat eigen ik te transcenderen door bezinning op de grote levensbeschouwelijke tradities, door ascese en eenvoudig leven, door een roep te horen die aanzet tot schrijverschap, zorg, cultuur of werken aan een rechtvaardigheid. p. 261. Hier komt een heel veld van nieuwe vragen op. Ik bespreek een paar denkers die net als De Dijn na denken over ‘jezelf zijn’ en tegelijkertijd in verbinding te staan met anderen en andere ervaringen.

1. Het begrip resonantie. De Duitse socioloog Hartmut Rosa heeft een aantal boeken geschreven over wat de versnelling in de huidige samenleving met mensen doet en hoe we tot een soort van vertraging en sterke resonantie met elkaar en de wereld kunnen komen. En interessant is dat hij daarbij ook het geloof en de kerk een rol geeft. Dit doet hij in het boekje ‘Democratie vraagt om religie’. Hij stelt daarin dat er een antwoord moet komen op het feit dat onze samenleving voortraast zonder duidelijk kompas. Dat antwoord is te vinden in de democratie die daar voor aandachtig moet leren luisteren. In de rijke religieuze traditie van met name het christendom kun je  begrippen als ‘luisterend hart’ en ‘verbondenheid’ vinden en een schat aan beelden, riten, en gebaren die uiting geven aan wat Rosa ‘resonantie’ noemt. Het gaat om het belang van wederkerigheid. (…) Alleen in de onderlinge betrekkingen leren we onszelf kennen en ervaren we hoe we kunnen samenleven met anderen, en hoe we ons dienen te verhouden tot de wereld. Daarnaast spreekt hij over ‘razende stilstand’. Dat begrip omvat twee aspecten: de maatschappij heeft voortdurend haast én tegelijkertijd is ze verstard geraakt. De samenleving bevindt zich in een crisissituatie: ze raast maar door, maar ziet niet langer in waarom ze doet wat ze doet. Een derde aspect is het mechanisme van economische groei. We botsen nochtans overal op onze grenzen (bv. Van klimaat, grondstoffen) als we nóg meer mobiliteit, huizen bouwen, voedsel, bezit van smartphones willen nastreven. We moeten blijven groeien om aandeelhouders (en pensioenfondsen) tevreden te stellen en om banen te behouden. Het effect is dat we voedsel, kleren etc. weggooien terwijl het nog perfect zou kunnen geconsumeerd of gebruikt worden. Een goed werkende democratie werkt pas als we niet alleen zeggen: ‘ik heb jou iets te zeggen’, maar ook: ‘jij hebt mij ook iets te zeggen, ik laat me door jou aanspreken’. Het republikeinse idee van democratie is dat wederzijdse transformatie mogelijk is doordat men elkaar wil en kan horen. En dat biedt ons de gelegenheid tot, zoals Hannah Arendt het noemde, nataliteit: het stelt ons in staat om opnieuw te beginnen, om iets nieuws voort te brengen. Wat we nodig hebben is een resonerende houding tegenover mensen, de wereld. De maatschappij, en zelfs de democratie, moet naar zijn idee het vermogen bezitten zich te laten aanspreken. Dit vermogen duidt de auteur aan met zijn begrip ‘resonantie’. Dat is niet alleen een vermogen, het is een andere houding tegenover de wereld. Die resonantie heeft vier bepalende elementen of momenten:

  1. de prikkeling: iets roept me, doet me ergens bij stilstaan, laat mij reageren
  2. zelfeffectiviteit: wat ik doe, gaat een soort verbinding aan met de ander; dat is het moment waarop we voelen dat we leven
  3. transformatie: waar resonantie ontstaat, waar ik echt stilsta en me verbind met wat me bereikt, transformeer ik, kom in een andere stemming en op een andere gedachte. Ik begin de wereld anders te zien of anders te denken. Dit is het tegenovergestelde van de burn-out.
  4. onbeschikbaarheid: het moment van transformatie kan ik niet forceren, produceren of kopen. De resonantie gaat samen met transformatie en dan kan niemand voorspellen wat eruit komt. In het gesprek, in de dialoog zeggen we dan: ‘Zo had ik het nog nooit bekeken.’ Hier komen we dan uit bij de nataliteit van Hannah Arendt: het moment waarop plotseling een nieuwe gedachte opkomt die geen van de gesprekspartners ooit had. Resonantie is de plaats waar het nieuwe ontstaat.

2.  Transcendentie en transformatie. Iemke Epema, dominee, schreef een proefschrift over het denken van Charles Taylor en zijn sleutelbegrippen transcendentie en transformatie. Haar zoektocht is interessant omdat ze binnen het immanente kader ruimte laat voor andere ervaringen. Transcendentie betekent niet simpelweg ‘het bovennatuurlijke’ of ‘God daarboven’, maar verwijst naar een bredere, existentiële betekenis: transcendentie gezien als dat wat de mens overstijgt en aanspreekt bijvoorbeeld vanuit een morele of spirituele horizon. Maar het kan ook ervaren worden als een appèl: iets dat ons roept, oriënteert en uitdaagt. Op die manier is transcendentie niet zo zeer een aanname (God bestaat), maar een ervaring van iets dat anders, groters is dan hen zelf. Dit is iets wat gelovigen en niet-gelovigen in hun leven opdoen bijv. in zorg voor anderen, ervaring met dood en geboorte, betekenis geven aan morele idealen, ervaren van schoonheid of uitgaan van bepaalde gevonden overtuigingen die ‘dragend’ zijn. Het tweede begrip transformatie gaat om de ervaring van dat je leven en ook jijzelf voortdurend in verandering is. Belangrijk thema in haar proefschrift is dat deze twee begrippen niet los van elkaar bestaan, maar met elkaar samenhangen. Transcenderende ervaringen zoals hierboven beschreven verschijnen als appèl, uitdaging, als nieuw denken en transformatie is hier het antwoord op, een respons. Zo suggereert ze een relationele structuur, waarbij de werkelijkheid ons uitdaagt (appèl) en vraagt om een antwoord of reactie. De ervaring van transcendentie maakt de transformatie mogelijk en noodzakelijk maakt en transformatie is de concrete uitwerking van transcendentie in een leven. Door de begrippen transcendentie en transformatie te hanteren kan de mens die gevangen dreigt te raken in zichzelf onderzoeken wat hemzelf overstijgt en in beweging zet. Het lijkt daarbij op het begrip resonantie, maar met andere accenten.

3. Oefenen van ‘gelatenheid‘. De cultuurfilosoof Gerard Visser bij wie ik een HOVO cursus volgde, laat in een essay over de ziel zien dat we ook in deze tijd heel goed over de ziel kunnen spreken als we ruimte kunnen maken voor datgene wat ‘gebeurt’ in ons leven. Via de denkbeelden van levensfilosofen als Dilthey en Nietzsche komt er eind 19e eeuw meer nadruk te liggen op de beleving (Erlebnis). Je kunt het leven niet begrijpen door het te ‘verklaren’, maar door het ‘verstaan’ van dat wat gebeurt. In die ervaring vormen denken, voelen en willen een geheel. Het is de fenomenologie die zich toespitst op datgene dat wat zich in de beleving te kennen geeft. Het is ook de tijd dat het begrip existentie en existeren opkomt. Het werd gebruikt door Kierkegaard die er  ‘leven vanuit je eigen bestaansgrond’ mee bedoelt. De nadruk op de beleving en ervaring betekent een breuk met denken in termen van substantie en waarheid. (onthecht, instrumenteel) Het levert een ander nieuw mensbeeld op nl. de mens die in een speelruimte staat, resoneert met de wereld, relaties, affecties heeft. De mens is niet meer autonoom, maar relationeel en historisch bepaald. We begrijpen onszelf via de ander, via religie, kunst en geschiedenis. Uiteindelijk komt Visser zo tot een nieuw zielsbegrip. Voor hem is ziel: het vermogen om geroerd te worden, het geeft ruimte van ontvankelijkheid (betekenis, lijden, schoonheid, relaties), een sfeer van gevoeligheid, de plek waar betekenis ons treft en niet waar wij betekenis maken, een veld van resonantie. Het ‘geheim van het leven’ geeft zich niet aan wie het wil veroveren, maar het openbaart zich aan wie kan ontvangen. In die zin is het leven een ontdekkingsreis. Visser laat zich in zijn zielsbegrip inspireren door het denken van de middeleeuwse theoloog/religieus Meister Eckhart en zijn sleutelbegrippen ‘Gelatenheid’ en ‘ledig gemoed’. Visser begrijpt dit denken als aandachtig open staan, ruimte geven aan innerlijke stemmingen. De werkelijkheid verschijnt niet omdat we haar beheersen, maar omdat we ontvankelijk worden voor haar verschijning. Daarmee wordt het ‘gesloten denken’ doorbroken omdat het subject niet langer het centrum is. De zieldimensie van de mens bevat in zijn visie twee lagen. Zowel die van geconfronteerd worden met jezelf (existentie in de wereld) en er is een roep afkomstig uit een ondoorgrondelijke oorsprong die hij spiritueel noemt.

4. Ontsnappen aan het denkraster. Floortje Scheepers hoogleraar psychiatrie vertelt in een interview in Trouw (23-maart 2026) over hoe lastig  de woorden zingeving en spiritualiteit zijn omdat je dan toch weer via taal grip probeert te krijgen, terwijl het juist belangrijk is te ontsnappen aan denkrasters waarmee we de wereld beheersen. Terwijl het gaat om ‘de momenten waarop er alleen maar het hier en nu is en verder niks’. ‘Terwijl de ontsnapping uit vaste stramienen, uit die denkrasters komen ‘m juist zit in het pure ervaren’. Dit kan volgens haar  op verschillende manieren. Door echt contact met mensen te ervaren, te voelen, door in de natuur te zijn, meditatie, kunst, muziek, een andere beleving van tijd. In het nu kun je ervaren hoe alles met elkaar verbonden is en je onderdeel bent van een immens complex ecosysteem. Dat alles heel even te ervaren biedt ontsnapping aan dat denkraster.  De hypernerveuze samenleving met zijn nadruk op individualisme heeft ons veel opgeleverd, maar wij als mensen hebben een balans nodig. Ze stelt zich de vraag wanneer dienen we te versnellen en wanneer te vertragen? Wanneer moet je dingen voor jezelf oplossen, wanneer op samenlevingsniveau.

Aan het einde van deze tekst is duidelijk dat er iets op het spel staat. Kiest de onthechte mens met een gesloten zelf voor maakbaarheid en instrumentaliteit of is er ruimte voor niet weten en verbinding met het ‘andere’? Ik heb vier mogelijke ingangen gegeven voor aspecten van ontvankelijkheid. Opvallend is dat er in de analyse veel overlap en consensus is, maar er zijn ook verschillen. Resonantie zoals door Rosa omschreven, is een sociologische beschrijving van hoe mensen relationeel zijn, zichzelf organiseren of zouden kunnen organiseren. Hij geeft daarbij een rol aan de politiek en de kerk. De door hem beschreven vier stappen als het gaat om resonantie helpen om te vertragen en vragen te stellen bij eigen ervaringen. Ook al zijn transcendentie en transformatie abstracte denkbegrippen, ze beschrijven tegelijk goed onze (dagelijkse) levenspraktijk. Die wisselwerking tussen appèl en antwoord is een mooie uitleg van hoe in je leven die cirkel van ‘veranderen’ gaat. Gerard Visser legt in zijn beschrijving van de werking van de ziel de nadruk op de ervaring en dan met name op de houding die daar voor nodig is: gelatenheid, ruimte laten, kunnen ontvangen. Het is de vreemde paradox van het leven. Je krijgt en groeit door een houding van ontvankelijkheid. Terwijl het dominante vertoog in onze cultuur is dat we het leven kunnen ‘maken’. Dat is ook wat Floortje Scheepers beschrijft: het zoeken naar een goede balans tussen maken en ontvangen, individu en gemeenschap en leren beseffen dat mensen deel zijn van een complex ecosysteem. De vraag is hoe we, in het geheel van maatschappelijke en culturele krachten, (school, media, belangenorganisaties enz.) meer ruimte geven aan het oefenen van ontvankelijkheid en weerstand bieden tegen een gesloten ruimte nu er geen overkoepelend religieus frame meer voor handen is. De analyse van De Dijn en zijn zoektocht naar diepte en verbinding is niet zo vreemd. Daar waar mensen oprecht en empathisch met elkaar samenleven, werken, vrijwilligerswerk doen of sporten en er van alles resoneert zullen ze ook rituelen hanteren om hun ‘samenzijn’ te bekrachtigen. De sleutelkwestie is naar mijn idee niet het kunnen ‘verwonderen’ of  ‘rituelen’ inzetten, maar creëren van open plekken waar mensen hun denken en gedrag aan elkaar toetsen. Dan komt er vanzelf ruimte voor ‘bronnen van betekenis’ , kwalitatieve vormen van verbinding en antwoorden op de vraag naar het moreel goede. Als je elke dag de krant leest zie je hoe dit een voortgaand moeilijk proces is. Want de lastige vraag blijft waarom de omsloten onthecht denkende mens de afslag neemt om in complotten te geloven, houvast zoekt in cultuurchristendom of foute leiders naloopt?

Bronnen

  • Charles Taylor Een seculiere tijd. Rotterdam 2012
  • Psychiater Floortje Scheepers: ‘Ik denk al snel: moet dat nou zo? Kan dat niet anders?’ Andrea Bosma 22 maart 2026  Zie
  • Hartmut Rosa Democratie vraagt om religie. Recensie:  Zie
  • Iemke Epema Niets gaat ooit verloren. Transcendentie en transformatie in het denken van Charles Taylor
  • Gerard Visser Niets cadeau. Een filosofisch essay over de ziel. Utrecht 2025
  • Sipco J. Vellenga Zingevingscrisis. Een sociologische analyse. Utrecht 2026
  • Gabriel van den Brink Eigentijds idealisme. Een afrekening met het cynisme in Nederland. Amsterdam 2011
  • Eerder schreef ik een blog over het belang van volwassen geloven. https://janvandiepen.wordpress.com/2020/03/15/belang-van-volwassen-geloven/


Ontdek meer van Filosofie lezen.

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Geef een reactie