Jan Keij Tijd als kwetsbaarheid

Jan Keij is een  kenner van het denken van Levinas en in Tijd als kwetsbaarheid zoekt hij naar antwoorden op een centrale  vraag die Levinas, op basis van zijn eigen leven als Jood en levend in de 20e eeuw, bezig hield. Hoe moeten we als mens in elkaar steken om verantwoordelijk voor anderen te kunnen zijn, om zorg te kunnen dragen  voor het welzijn van anderen? Levinas is bij veel mensen bekend van zijn begrip appèl en het ‘gelaat van de ander’. We lazen hierover eerder het boek Levinas: de ander en de morele vrijheid. Dit boek gaat veel dieper in op de achtergronden van het denken van Levinas waarin het filosofisch begrijpen van het fenomeen tijd een cruciaal thema is. De ‘tijd’ lijkt iets onpersoonlijks dat onverstoorbaar voortschrijdt. Het gaat hier echter niet over de tijd van de objectieve wereld, maar de tijd zoals we die beleven. Keij probeert uit te leggen dat die beleefde tijd een ethisch principe bevat dat richting kan geven aan ons handelen. De mens is de tijd, en dit betekent dat ik, net als anderen, een kwetsbaar, moreel mens ben. Dan wordt tijd een realistisch ethisch principe. De filosofie van Levinas is een pleidooi voor het zien van het belang van gevoeligheid, raakbaarheid, sterfelijkheid, vergankelijkheid ofwel tijdelijkheid. En juist deze tijdelijkheid maakt het leven levenswaardig en schenkt aan het leven zijn waarde.

In deze bespreking probeer ik allereerst een aantal vooronderstellingen in het denken van Levinas te beschrijven waaronder zijn gebruik van de dialectisch denkmethode, omdat dit als een rode draad door het boek loopt. Daarna komen vijf subthema’s aan bod die Keij onderscheidt om de hoofdvraag van hoe verantwoordelijk leven te beantwoorden. Maar daarbij maak ik een tussenstap over het leven in het heden en wat dit betekent voor ons mensbeeld en beleven van de tijd. Tenslotte geef ik de mening van de leesgroep en de kritiek van recensenten op dit boek. Ik probeer de kern van dit boek te vatten, maar laat ook enkele thema’s liggen. Ik noem de kritiek van Keij op de boeddhisme levensfilosofie en een debat dat Keij voert met wetenschappers over de oorsprong van het heelal en zijn idee van schepping.

1. Typering van het methodisch denken van Levinas.

Wat Levinas doet is naar de bron van kwetsbaarheid zoeken. Dit zoeken naar de verborgen horizon is typisch voor de fenomenologie. Deze filosofen focussen op de ervaring en vragen zich af waar onze ‘bewuste ervaring’ op is gebaseerd. In de zoektocht ‘naar beneden’, duikend onder de ervaring komt Levinas bij de ultieme voorwaarde en bron van de ervaring: het leven zelf, dat in het heden huist, dat is volgens hem op verschillende manieren leven met de kwetsbaarheid van het leven. We moeten leven met tal van paradoxen. Het leven is allereerst tijdelijk en daarmee kwetsbaar, we zullen onvermijdelijk ouder worden en in verval raken. Dit vraagt erom dat we ons verzoenen met deze beperkte tijd van onszelf en anderen. Het is ook de paradox van geluk en liefde, want wie geluk smaakt zal ook met ongeluk geconfronteerd worden. Opnieuw een paradox: het geluk kan niet zonder ongeluk. Rouw is de rekening die voor de liefde betaald moet worden. Keij benadrukt steeds opnieuw dat het leven zelf dat in het heden huist de basis van zijn zoeken. Met het begrip heden zijn we bij de het begrip ‘tijd’ gekomen.

Naast dat Levinas gezien wordt als fenomenoloog benoemt Arthur Veenstra (recensie Bazarow) hem als een existentieel filosoof. De existentiële filosofen zagen in het begin van de 20e eeuw veel maatschappelijke onrust. (oorlogen, griepepidemie, beurskrach) naast een opkomend evolutie denken als een gevaar voor de plek van de mens. De redenatie was dat als we niet weten wat werkelijk betekenisvol is voor de mens, een gevaarlijke betekenisleegte ontstaat. De nazi’s maakten hier gebruik van door de ‘natie’ te verheffen tot het hogere betekenis gevende doel: deel zijn van een grootse ‘natie’ en een uitverkoren ‘volk’. De existentiële filosofen (Heidegger, de Beauvoir, Sartre en Husserl) analyseerden deze bestaansstructuur, de ‘existentie’ – om daaruit af te leiden of die structuur kon dienen als ankerpunt voor het handelen van de mens, maar die abstracte bestaansstructuur bood weinig of geen ethische handvaten. Levinas onderscheidde zich van hen doordat hij die existentieel-ethische dimensie probeert uit te werken.

Differentie en dialectisch denken.

Het denken in paradoxen is een kenmerk van het dialectisch denken en dit maakt Levinas tot een differentiedenker. Dat wil zeggen het onderzoekt het verschil of onderscheid van dingen. Het is het ‘onuitwisbaar tussen’ als verhouding van twee gegevenheden die bestaan bij de gratie van elkaar. Dit denken gaat uit van een absoluut verschil. De schrijver Coetzee schrijft: ‘Goed dat er kieren tussen de dingen zitten, dat jij en ik twee zijn en plaats van één’. Dit denken voorbij de eenheid maakt juist verbondenheid mogelijk. Differentiedenken is de derde weg in de filosofie. Het is onderscheiden van:

  • Monisme. Van eenheidsdenken dat de werkelijkheid ziet als totaliteit waarin alle verschillen slechts relatief zijn binnen een basale eenheid. Boeddhisme, maar ook empirisme en naturalisme (materialisme)
  • Dualisme. Dat poneert twee werkelijkheden. Die ieder voor zich kunnen bestaan. Denk aan het dualisme van Descartes die de geest naast het stof plaatste. Of-Of denken.

Het differentiedenken plaatst twee polen tegenover elkaar die ieder voor zich slechts kunnen bestaan dankzij de andere pool. De oer differentie die in dit boek wordt uitgewerkt is het levende heden, de mens zelf met zijn interdependentie van onafhankelijkheid en afhankelijkheid. Deze tweeslachtigheid is contradictoir. Twee betogen over de mens die haaks op elkaar staan en tegelijk complementair zijn. Dit is de waarheid als een ritssluiting die twee kanten samenbrengt, subject en contrasubject. Een combinatie van onderwerp en onderworpen, tweestemmig. Voor het logisch denkende verstand is deze manier van denken oncomfortabel en vreemd. Voor Levinas die wil aansluiten bij de ervaring is het een denkwijze die juist nieuwe inzichten ontsluit. Uit de bipolariteit, uit de spanningsrelatie van begin en einde, onafhankelijkheid en afhankelijkheid kan Keij de dialectisch-logisch de kwetsbaarheid afleiden. Dit is geen Hegeliaanse synthese, waarbij de oude posities verdwijnen, maar wordt juist de spanning tussen de twee begrippen in stand gehouden. Het gaat om de verhouding en relatie van twee autonome begrippen of posities.

Geschiedfilosofie: In de combinatie van onafhankelijkheid en afhankelijkheid voegt Levinas twee filosofische posities nl. idealisme en materialisme samen. Idealisme staat voor vrijheid, autonomie eigen wil en keuze. Dat is de baron van Munchhausen die zich uit het niets van het moeras omhoogtrekt, het denken van Descartes, de ziel die onkwetsbaar is. Aan de andere kant het materialisme van o.a. Hobbes die de onafhankelijkheid van de mens laat verdwijnen in de volgens oorzaak en gevolg bepaalde stof. Door de empirische wetenschap krijgt dit idee bijna een religieuze status. Hier draait alles om causaliteit. Levinas poneert het gelijk van beide posities (dialectisch of dubbel denken) Ze bestaan als differentie als verschil en relatie tot elkaar. De mens is gelijmd met twee componenten. Dialectisch denken is misschien logisch niet denkbaar, maar volgens Keij in de dagelijkse ervaring bevredigend. Zoals in het boek ‘Zen en de kunst van het motoronderhoud’ van Robert Pirsig waar het om de spanning tussen idealisme en materialisme gaat. Keij gebruikt het beeld van de hoorns van een op je af stormende stier. Welke hoorn je ook kiest je wordt door beide hoorns gespiesd. In dat boek is ‘kwaliteit’ het begrip dat tussen idealisme en materialisme staat .

Levinas noemt de synthese tussen idealisme en materialisme de kwaliteit van de kwetsbaarheid, ook wel tijd. Tijd als heden, als nu. Deze kwetsbaarheid is vanzelfsprekend in het dagelijks leven. Keij gebruikt dit dialectisch denkschema door het hele boek heen. De belangrijkste zijn:

  • Onafhankelijkheid  —— afhankelijkheid
  • Schepping —— eeuwigheid
  • Ik—— de ander
  • Ik—— God

En centraal in het boek staat de dialectische spanning tussen verleden —— heden—— toekomst. We leven altijd in het heden en het nu. Wat geweest is, is geweest, de toekomst moet nog komen. Rond dit ‘nu’, dit heden, bouwt hij zijn betoog op in zijn zoektocht naar de vraag van rechtvaardigheid.

2. Uitwerking van vijf voorwaarden.

1. Lichamelijke onafhankelijkheid: genieten.

Als je handelt als gevolg van causale dwang (van binnen of van buiten) heb je geen eigen wil en vrijheid. Wil je dit wel hebben moet je onafhankelijk zijn. Alleen de vrije mens kan verantwoordelijk zijn. Onafhankelijkheid is niet neutraal. Het is mijn leven, ik ben levend, niet onverschillig, verlang te leven, me er aan hechten, en van genieten. Dit alles is wezenlijk voor de gehechtheid aan het leven, geeft het leven kwaliteit. In datgene waar ik van geniet ben ik het onderwerp en hetgeen waarvan ik geniet is als een lijdend voorwerp onderworpen aan mij. Het zit in het woord zelfgenoegzaamheid: ik heb in het genieten genoeg aan mezelf. p. 27.

Levinas stelt dat er geen afhankelijkheid is zonder onafhankelijkheid. Als ik eet of geniet van de zon ben ik niet afhankelijk, maar meester over de dingen die ik absorbeer.  Keij: ‘het egoïsme, de hechting aan mezelf, is hier de voorwaarde voor verantwoordelijkheid. Dankzij het egoïsme is het leven van waarde’.  Maar dit kan alleen als ik mij vanuit mijn egoïsme kan inleven in het ‘egoïsme van anderen’. Conclusie: onafhankelijkheid, ten diepste de lichamelijke onafhankelijkheid als leven, de waardevolle autonomie van het genieten, als egoïsme, is een voorwaarde voor ethisch handelen.

2. Lichamelijke afhankelijkheid: kwetsbaarheid en lijden

De tweede voorwaarde is de omkering van de eerste: Afhankelijkheid, die fundamenteel een lichamelijke is. Dat is de kwetsbaarheid van het leven, beleefd in het lijden. In de kern van het genieten en behoeftigheid, waarbij ik aangewezen ben op anderen zit al de kwetsbaarheid en in z’n scherpe vorm het lijden. Daarom zijn die twee gekoppeld. Het leven is nooit neutraal. ‘De schaduw is het kind van het licht’. (Stefan Zweig). Genieten is een waardevolle onafhankelijkheid en daartegenover is lijden een waardeloze afhankelijkheid. Deze afhankelijkheid waaraan ik ben blootgesteld, waarop het bewustzijn geen greep heeft, het is met geen pen te beschrijven. Is dit lijden, die pijnlijke afhankelijkheid een voorwaarde voor verantwoordelijkheid? Antwoord van Keij: ja, want het lijden getuigt van kwetsbaarheid. Dit maakt zorg voor de ander zinvol. Dankzij de breekbaarheid van het leven loont mijn inzet voor de ander. Maar dat gebeurt als ik vanuit mijn kwetsbaarheid me kan inleven in de kwetsbaarheid van de ander. Maar dit wil niet zeggen dat het beleven van pijn zinvol is.

3. Ethische gevoeligheid: appèl, oproep tot verantwoordelijkheid

Beide vorige voorwaarden zijn volgens Keij belangrijk om te komen tot verantwoordelijk handelen, maar het is nog niet voldoende. Er is een derde voorwaarde vereist: de ethische gevoeligheid ofwel kwetsbaarheid, raakbaarheid. Ik moet geraakt worden om me te gaan richten op de belangen van de ander. Levinas beschrijft de ethische kwetsbaarheid vanuit zijn ervaring. Keij stelt de volgende oefening voor: Ga bij je zelf na wat er met je gebeurt als een ander je nabij komt. Onderzoek de ervaring dat je op de ander gefocust raakt. Alsof die ander je aandacht roept. Deze situatie heet bij Levinas appèl. Dit appèl lijkt onder de radar van het bewustzijn te blijven. Voorafgaand aan mijn initiatief wordt ik als het ware gekaapt, waardoor er iets dwingends lijkt te zitten in het appèl. Ik wordt in relatie gesteld met die ander. Deze niet bewuste aanspreking noemt Levinas ethische gevoeligheid voor het appèl dat oproept tot verantwoordelijkheid. Dit hoeft echter niet en we kunnen ook onverschillig blijven. Dan staat het totaliserend, annexerend ik voorop. Maar dit gebeurt niet straffeloos. Deze manier denken leidt tot zelfverminking. Ethisch handelen kan niet zonder stap 1 nl. de onafhankelijkheid (van het genieten). Je moet voor jezelf zorgen wil je voor de ander kunnen zorgen. Mijn genietende ik-gerichtheid krijgt met het appèl verantwoordelijkheid opgelegd.

Tussenstap. Dialectisch nadenken over persoon en tijd.

Keij stelt dat de genoemde voorwaarden 1-2 zijn gebaseerd de oerdifferentie van verleden en toekomst waardoor het levend lichaam (onafhankelijk en afhankelijk) in het heden gebaseerd is. Dat leven is in wezen kwetsbaar en vergankelijk. In de loop van het boek wordt duidelijk dat het heden het snijpunt is van de menselijke ervaring. Van daar uit het zoeken we naar hoe te leven en daarmee ook naar de vraag van rechtvaardigheid. Om dit beter te begrijpen zijn er twee thema’s die door Keij uitgebreid worden behandeld.

  1. ik-splijting en het mechanisme van de mysterieuze waarnemer en ons denken over het Zelf van de mens.
  2. Bron van kwetsbaarheid in het heden en het begrip tijd als overkoepelend gegeven.

Ad 1. Mysterieuze waarnemer, ik splijting.

Keij richt zich op de mysterieuze waarnemer in het heden. Daarmee bedoelt hij dat op het moment dat ik mezelf waarneem er twee ikken zijn. Een die waarneemt en een die waargenomen wordt. Als ik naar de waarnemende ik wil kijken verandert dat in een waargenomen ik. Het waarnemende ik verandert bij de pogingen het waar te nemen in het waargenomen ik, bij gratie van een waarnemend ik, maar het is niet mogelijk dit waarnemende ik te betrappen, het wijkt terug. Dit wordt de ik splijting genoemd: De splitsing tussen het waarnemend en het waargenomen ik. De waarnemer in het heden blijft onzichtbaar. Het is de dualiteit van ik en mij. De mens is daarom altijd in gesprek met zichzelf, omdat hij niet met zichzelf samenvalt. Door het bewustzijn van mijzelf ben ik steeds verdubbeld. Op basis van dit gegeven schrijft Keij over het vraagstuk van het ‘zelf’:

  • De vraag wie de mens is is complex. Mijn identiteit is het beeld dat ik van mezelf heb. Het ‘verbeeldde zelf’ en die identiteit is zo veranderlijk als het weer.
  • Ik heb (niet ben) opeenvolgende ontelbare identiteiten. Al die beelden ben ik zelf niet. Wel kan ik zeggen wat ik ben op dit moment.
  • Zo ben ik als ‘subject ik’ gescheiden van mijn ‘object ik’, niet in staat samen te vallen met mijn beelden. Dat is mogelijk tragisch voor al die mensen die zichzelf willen vinden met behulp van coaches, goeroes en therapeuten. Want wat zij doen is, zoals je meccano in elkaar zet, mensen een wat comfortabeler, aanvaardbaar zelfbeeld aan leren. Destructie en constructie. De mens blijft gespleten in subject en object, onzichtbaarheid en zichtbaarheid.
  • De ander kennen is eveneens complex. Ik kan eigenschappen, ervaringen, hebbelijkheden en onhebbelijkheden van de ander tot op zekere hoogte kennen. Achter deze objectiveringen of aanplaksels blijft het subject zelf, de mens zonder eigenschappen, niet kenbaar. Zo zijn we intieme vreemden.
  • Het ik is in beelden gehuld. Er is een voortdurende stroom van beelden fantasieën, opvattingen, meningen, en gevoelens zonder een waarnemend ik. Het ik als construct ben ik mijn verhaal, zonder verteller van het verhaal. Het zelf is dus een ‘narratief zelf’ en dit wordt door de niet-duur van het heden versterkt.

Door het idee van de ik-splijting wordt duidelijk dat het waarnemend ik duister is. Dit ik, het leven zelf als heden wordt gekenmerkt als vergankelijkheid die op haar beurt de kwetsbaarheid van de mens duidelijk maakt. Deze zoektocht gaat om de vraag wie de mens in wezen is of zou kunnen zijn. We zagen dat de waarnemer ‘in het heden zit’. Het gaat om het leven dat klopt in het heden, verankerd is in het heden. Als ik nu niet leef dan leef ik niet. Maar door de ik-splitsing is de mens voor zichzelf voor een deel een geheim.

Ad 2. Tijd en beleving van de tijd.

Het levend heden, voor een deel geheim, samenvallen en tegelijk niet samen vallen, noemt Keij de persoonlijke tijd, die duurt. Tijd als duur is voor te stellen als stromen, een proces. Die tijd kan ingedeeld worden als een lijn van geboorte, via het nu, naar de dood. Het heden is een duurloos omslagpunt tussen verleden en toekomst in, een snijvlak. Hier zit het waarnemend ik. Het heden is voor het bewustzijn niets. Het niets van het heden is alleen maar niets in de zin van onbereikbaar voor het bewustzijn. Kierkegaard noemt dit de volheid van de tijd, het hart van het leven dat ik niet direct kan kennen. Het heden gaat vooraf aan al het kennen en kenbare. Er is onderscheid nodig tussen bewustzijn en zijn inhoud. (zoals tussen waarnemer en het waargenomene)

We hebben aan de ene kant geen grip op de loop van de tijd van het leven. Mijn leven verloopt. In het differentiedenken bestaat het positieve op basis van het negatieve en omgekeerd. Ik heb geen begrip van het leven en ook geen grip. Begrijpen en grijpen zijn verwant. Theoretisch en praktisch. Dat is de kwetsbaarheid van het leven. Het besef van geluk, dat er ook niet kan zijn. Vluchtigheid en vergankelijkheid. Dit besef is gekoppeld aan tijd, het heden. De mens is de werking van de tijd. Hij sterft en wordt gelijk geboren in een oneindige lijn. Diachrone tijd noemt Levinas dat. (‘dia’ betekent scheur/ uiteen gaan) Dit kleurt de levensloop van de mens. Het ‘tussen van de kwetsbaarheid’ is een groot goed. Deze kwetsbaarheid geeft het leven zin. Genieten en kwetsbaarheid zijn onlosmakelijk verbonden. Kwetsbaarheid geeft de mogelijkheid van bescherming, intimiteit, geborgenheid, erotiek, ethiek, zaken die weg zouden vallen als kwetsbaarheid weg zou vallen.

Keij gebruikt het boeddhisme om zijn eigen visie duidelijk te maken. Volgens hem deconstrueert het boeddhisme tijd tot een eeuwigheid. Het heden begint niet en eindigt niet. Eeuwigheid is de tijdloosheid van het heden. Het verleden bestaat niet en ook de toekomst is denkbeeldig. In het heden zijn verleden en toekomst aan elkaar vastgeplakt. Geen tijd is hier eeuwigheid en zo wordt tijd een illusie. In deze visie is het nu onbewoond, maar ook de persoon moet ‘leeg worden’. De Joodse denker Frans Rozenzweig gaat hiertegenover uit van een dialectisch mensbeeld: als de andere mens in diepste zin hetzelfde zou zijn als ik (..) dan kan ik hem juist niet liefhebben, ik zou dan immers slechts mezelf lief hebben. Kortom je kan de ander alleen liefhebben doordat er ‘verschil is tussen mij en de ander’. Liefhebben is hier een doen en laten voorbij het egoïsme. En Coetzee schrijft: Goed dat er kieren tussen de dingen zitten, dat jij en ik twee zijn en plaats van één. Dit denken voorbij de eenheid maakt verbondenheid mogelijk. Er is een ander tijdsconcept nodig. Die van Levinas levert een echt zelf op in staat tot verantwoordelijkheid. Dit tijdsidee die op ervaring is gestoeld moet je als basis nemen.

4. Denken: ter wille van interpretatie en rechtvaardigheid

Het denkend ordenend vermogen dat het bewustzijn is, kan enkel ontstaan uit datgene wat als het ware leven absoluut afwezig is. Op grond van de afgrond van het levende heden beschrijft Levinas drie niveaus van bewustzijn.

  • Gevoelsbewustzijn. Op basis van de kwetsbaarheid ontstaat het terugpakken van dit niet gevoelde ‘oergevoel’ : voelen van het gevoel, als genieten en lijden.
  • Het voorstellend bewustzijn. Dit is in staat tot formeren, ordenen van betekenisvolle beelden. Het procesmatige van de gevoelsmatige kwaliteiten ‘stolt’ tot kwantiteiten. De kwaliteit huwt met de vorm. De peer krijgt naast de smaak en op grond van de smaak een vorm. De tijd wordt verruimtelijkt. De ruimte is afgeleid van de tijd. Tijd en ruimte worden door het voorstellend bewustzijn door mij opgelegd aan de waargenomen werkelijkheid: aan de werkelijkheid van de duur, die vanaf de oerknal een causaal bepaalde duur is. Die totale werkelijkheid komt als representatie bij mij samen in het heden. Samengebald in een punt.
  • Reflecterend bewustzijn. Het denken, als vermogen om stil te staan bij mijzelf en bij het maken van keuzen. Met deze denkvaardigheid worden wetenschap, kunst en filosofie mogelijk. Maar ook geestelijke groei.

Hoe gaat dit precies in de praktijk? De aanname is dat we het mysterieuze moment van het nu (ik-splijting) niet kunnen vatten, alleen door de beleefde tijd achteraf te synchroniseren met de diachrone tijd.  Deze diachrone tijd verloopt als een voortdurend, discontinu verlies van mezelf waarover ik geen zeggenschap heb.Dat de mens ‘tijd is’ komt omdat ik differeer, d.w.z. ik verschil voortdurend van mijzelf in een voortdurend herhaalde metamorfose die tijd als veroudering is. Heden na heden gaat verloren zodat er een reeks van verleden hedens ontstaat. Dit is diachrone tijd. Dit is een tijd van voortdurend verschillen van mezelf, niet samenvallen met mezelf, onafgebroken uiteenvallen. Het voortdurend andere van het zelf worden is een voorwaarde om mij van mijzelf bewust en aanwezig te worden bij mijzelf. Het ‘andere worden’ noemen Levinas en Derrida temporaliseren: stromen van de tijd, nodig om mij te kunnen affecteren door het andere en dit bewust voelen. Daarom begint bewustzijn als geheugen. Er is verval nodig om te kunnen representeren. Dan pas kan ik vooruitlopen op het heden dat nog moet gebeuren. (verwachtingen voor toekomst) Zo zijn verleden en toekomende tijd tegenwoordig gestelde tijden en als zodanig tot tegenwoordige tijd gemaakt. De drievoudigheid van de  tijdsmodaliteiten (verleden, heden, toekomst) ligt als een drie-eenheid opgevouwen in de ene modaliteit: het heden.  De synchrone tijd (verleden en toekomstige tijd) wordt tegenwoordig gesteld in het heden. Het bewustzijn verbindt de afzonderlijke verledens /verloren hedens met elkaar waardoor de diachrone, discontinue tijd tot continuïteit wordt. De oversteken tussen de afzonderlijke blokjes tijd noemen we duur. Maar dat kan alleen door de functie van bewustzijn. Het proces van tegenwoordig stellen is het begin van het bewustzijn als gevoelsbewustzijn. Pas met het bewustzijn wordt de ervaring continu. Deze continue duur is het geheugen. Analoog met muziek en de melodie als de verbinding tussen afzonderlijke noten, de beleving van tijd. Deze duur is de bewuste tijd d.w.z. gevoelsbewustzijn, voorstellend bewustzijn en reflecterend bewustzijn.

5. Vruchtbaarheid

Kwetsbaarheid houdt sterfelijkheid in. Nietzsche schrijft: wat mij niet doodt, maakt me sterker. Alles wat me door ziekte en tegenslag overkomt, kan bijdragen aan de groei van mijn persoonlijkheid. Maar de dood is iets radicaal anders. Het is niet te pareren met superfoods of veel sporten. Het is absoluut geweld en in zekere zin ook het nakende einde van de ethiek, mits deze overwonnen wordt. Het verlangen om te leven, en zelfs na mijn dood, betekenis te hebben is volgens Levinas de verborgen motor van de hartstocht. Lust verlangt naar dat wat er nog niet is. D.w.z. de toekomst die zichtbaar wordt in de gedachte dat we doorleven in kinderen (of de volgende generaties van kleinkinderen en achterkleinkinderen jvd) Dit is volgens Keij een dieptedimensie, een metafysische relatie. Het kind dat ben ik én het is ten opzichte van mij een nieuw begin. Leven voorbij mijn leven. Maar ik ben tegelijkertijd dus ook niet mijn kind. In de visie van Levinas is een mensenleven ‘een drama in meer bedrijven’. En discontinue estafetteloop waarin mensen het stokje van de ethiek doorgeven, zonder zelf door te gaan. In mijn kinderen en kleinkinderen ga ik door in een tijd die niet meer mijn tijd is. Het kind ben ik en tegelijk is het volkomen vreemd aan mij. De kinderen lijken op hun tijd en hun gedachten zijn vreemd voor wie niet meer bij de tijd is: ouderwets en oud. Ik loop langzaam maar zeker ‘uit de tijd’.

In dit schema staat de mens in relatie tot de ander (en het kind). Het is allemaal differentie: verschil, relatie, verhouding, discontiuiteit. Afgeleid vanuit één punt, het heden. TIJD. Tijd is het heden als relatie, relatie tot de ander, contact van heden naar heden. Tijd als tussentijd transcendent aan elke waargenomen werkelijkheid, maar uiteindelijk is het heden een waarnemend vermogen dat, eenmaal tot bewustzijn gekomen, kennis kan krijgen van een waargenomen wereld. Levinas: ‘Het ware leven is afwezig. Toch zijn wij op de wereld’.

Zo komt Keij tot zijn conclusie als antwoord op zijn onderzoeksvraag. Tijd is wezenlijk een ethisch principe. Door onze onafhankelijkheid zijn we autonoom en vrij  en dit gaat samen met onze afhankelijkheid en daarmee kwetsbaar. Beide begrippen samen zijn de voorwaarde voor verantwoordelijkheid. Tijd bevat ook de ethische kwetsbaarheid of gevoeligheid. (voorwaarde 3) Dit is omdat er een ethische vraag besloten ligt in de roep van de ander ofwel het appèl. Het treft mijn heden dat als ‘leven buiten mijn bewustzijn-van’ ligt en zo buiten mijn zeggenschap. Het levend heden van mij wordt aangesproken door het levend heden van de ander. Het appèl leidt tot voorwaarde 4 voor verantwoordelijkheid nl. het denken en ethische raakbaarheid. De inbreng van kritiek door de ander is het ontvangen van een kritisch vermogen waarmee ik voorbij de naïviteit getrokken wordt. En dankzij de kritiek kan het denken zich ontwikkelen en kan ik nadenken over mijn antwoord op het appèl. Tenslotte betekent de tijd als tijdelijkheid kwetsbaarheid en vergankelijkheid (voorwaarde 1 en 2) dat ik creatief op zoek moet naar oplossingen in termen van Keij recreatie via de vruchtbaarheid. Het estafettestokje van de loop, de discontinue hordenloop van het goede en verantwoordelijkheid dat wordt doorgegeven in de oneindige vergankelijkheid van de generaties. 

3. Verwerking

  • We bespraken dit boek in twee bijeenkomsten. Waarbij de eerste bijeenkomst vooral ging om te gaan begrijpen waar het dialectisch denkmodel over tijd en kwetsbaarheid, denken en ethiek precies over ging. Keij heeft een zoekende maar ook wel stellige schrijfstijl die ook wel weerstand opriep. Hij wil je graag zijn denkmodel uitleggen en tussentijdse vragen worden niet getolereerd. Zo voelt het in ieder geval. Maar we hadden natuurlijk wel vragen.
  • Een daarvan ging om het begrip ‘ervaring’. Hij definieert dit begrip niet scherp. Hoe weet je of een ervaring waar of betrouwbaar is of slechts een illusie of vooroordeel.
  • Hij gaat uit van een aantal aannames of vooronderstellingen die onder zijn betoog zitten. Het idee van mysterieuze waarnemer die niet bereikbaar is in het nu; de aanname van een schepper of God. Door zijn stelligheid en vele schema lijkt hij uit te gaan van een sterk gesloten denksysteem dat ‘alles’ kan verklaren.  En we vonden hem wel heel stellig over het boeddhisme en vroegen ons af of dit niet een te al te versimpelend beeld is.
  • Ieder van ons haalde eigen positieve en leerzame denkbeelden uit het boek. Allereerst het gegeven van het synchroniseren van de tijd. Dit reconstrueren van een gebeurtenis  na afloop en de stappen van voelen, framen en denken waren verhelderend. De een pikte met name het theologische denken over schepping op als waardevol, de ander het dialectisch denkgereedschap en voor weer een ander was het boek een opfrissen van het denken over het appèl van de ander.
  • De 5 voorwaarden om te komen tot beantwoording van de vraag van naar rechtvaardigheid zijn zinvol en geven inzicht in het denken van Levinas. Maar de vraag blijft of morele sensibiliteit onontkoombaar is voor ons en deel uit maakt van een existentiële structuur van mensen/de mensheid of dat het toch relatief blijft voor een bepaald tijdsperk of cultuur of persoonlijkheid. Athur Veenstra concludeert dan ook dat ‘het lijkt er helaas op dat ook Keij/Levinas ons (nog) geen fundamenteel ankerpunt kan bieden voor ons handelen’.
  • De lezer kan veel oppikken uit dit boek omdat het over grote kernvragen van het leven gaat. Persoonlijk neem ik vooral mee het besef van het nu/tijd als ‘tijdelijkheid’. Het is gevuld met de begrippen die aan bod zijn gekomen: kwetsbaarheid, autonomie, afhankelijkheid, zorg. Het leven gebeurt nu met alle kleine en mooie en moeilijke aspecten die erbij horen. Dit besef, dit leven en deze wereld is zeer joods en krachtig uitgelegd. Tegelijkertijd staan we in een traditie en verlangen we dingen voor de toekomst. Schepping en eeuwigheid denkbeelden die het nu kunnen richten, troost bieden, vertrouwen geven. Dit levert allemaal mooie vragen op voor gesprekken met mensen in mijn werkpraktijk. Abraham Heschel, eveneens Joods denker stelt dat het in het leven gaat om drie kernvragen: waar komen we vandaan? Waar gaan we naar toe? En wat is het belangrijkst om je nu op te richten?

Recensies

https://www.crescas.nl/columns/webcolumnvanderven/mpgoz/Hoe-totalitair-is-Jan-Keij/


Ontdek meer van Filosofie lezen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Eén reactie

Geef een reactie op Ovanderwijk Reactie annuleren