Monica Meijsing. Waar was ik toen ik er niet was?

We lazen de afgelopen twee jaar veel boeken die gingen over identiteit (Fukuyama) en  authenticiteit (Zijlstra), Zelf (Charles Taylor)  of boeken waar de vragen waar Meijsing over schrijft zijdelings aan bod komen (Welten: Simone de Beauvoir, en Jan Keij: Tijd en kwetsbaarheid) Meijsing kiest voor een eigen insteek in haar onderzoek naar de zeer oude filosofische vraag Wat is de mens?

Het boek is bedoeld voor een breed publiek. De schrijfster wil allereerst laten zien dat een vorm van dualisme tussen lichaam en geest, en het geloof in een leven na de dood, in bijna alle culturen wereldwijd gevonden wordt. De reden dat we ook nu nog denkbeelden hebben over de scheiding tussen geest en lichaam zou hier kunnen liggen. De verklaring is dan de moeilijkheid om te geloven dat je geliefden simpelweg ophouden te bestaan als ze doodgaan en het wijdverspreid voorkomen van buitenlichamelijke en bijna-dood ervaringen. En ten tweede dat we het moeilijk vinden de mens te zien als primair een lichaam of organisme.

Vanuit die vooronderstelling bevraagt ze aan de hand van het denken van Descartes en Locke ons dominante denken over geest, lichaam, persoon, en identiteit. Ze gebruikt bij haar onderzoek praktijkgevallen uit de medische wetenschap om de denkbeelden te verifiëren met behulp van empirisch onderzoek. Naar haar idee kun je veel leren van echte mensen in plaats van ‘theoretisch dromen’ in de filosofie. Het boek is te uitgebreid om helemaal samen te vatten. Ik haal de voor mij interessante elementen er uit.

Descartes en het gedachtenexperiment van een brein in een vat.

Bij Aristoteles was de ziel geen aparte instantie, maar onlosmakelijk verbonden met het lichaam en het christendom sprak over de belofte van een leven na de dood (geloofsbelijdenis van Nicea) van ziel én lichaam. Volgens Descartes zijn we een geest en hebben we een lichaam. Zijn twijfelmethode brengt hem bij het res cogitans, de geest. Hij moet wel twijfelen over zichzelf, de wereld en ontdekt dat hij zelf uiteindelijk enkel de geest is. Res cogitans is de denkende substantie waarmee hij zich identificeert. De cartesiaanse geest combineert zowel het denken als het voelen en de persoonlijke herinnering. De nadruk op ‘ik denk, dus ik ben’ gaat uit van een geest gecentreerd rond de dingen waarvan we ons onmiddellijk en onbetwijfelbaar van bewust zijn. Het zijn die dingen waarmee we vertrouwd zijn  Daarmee wordt een sterk verband gelegd tussen geest en bewustzijn. De wending naar het subject en bewustzijn wordt gescheiden van res extensa. Het lichaam is iets wat iemand heeft en aanstuurt, maar is niet iets wat hij of zij is. Dit scheiden van geest en lichaam versterkt volgens Meijsing de ‘mechanisering van het denken en zo ook van het gemechaniseerde lichaam. In de visie van Descartes waren dieren mechanismen zonder denkende geest. Als je  ze een schop geeft en ze gaan dan janken is dat volgens hem een mechanische reactie. De grote nadruk op de geest als bepalend is door Freud onderuit gehaald. Lang niet alles wat we mentaal noemen is ook transparant en bewust. Veel van onze gedachten, emoties en wensen is onbewust. Blijft de vraag over waar iemand, wanneer deze het woord ‘ik’ gebruikt, naar verwijst?

Descartes denken suggereert dat het zelf lichaam-loos is, en om dit idee te onderzoeken gebruikt de schrijfster de casus van Ian Waterman. Deze man werkte als 19 jarige in een slagerij waar hij door een snee in zijn vinger een vreemde ontsteking oploopt. Uiteindelijk is het effect dat hij zijn lichaam niet meer voelt. Hij heeft geen controle over zijn lichaam. Hij weet niet waar zijn armen en benen zijn, kan wel een beweging beginnen, maar heeft er daarna geen controle meer over. Uiteindelijk kan hij na veel oefening een eigen leven opbouwen. Wat Waterman mist is proprioceptie. Het is de visuele waarneming van de positie, houding en beweging van ons lichaam in de ruimte. Maar ook het ‘innerlijk lichaamsschema’, het voortdurend bijhouden van informatie over ons lichaam geeft feedback voor motorische taken en de fijne afstemming van ons lichaam. Denk aan rechtop staan, iets pakken, een plekje op de rug krabben wat je niet kan zien. Beide zijn cruciaal voor zelfbewustzijn. De conclusie van Meijsing is dat we als mens geen lichaamloze denkers zijn. Proprioceptie geeft ons het onmiddellijke en heldere gevoel belichaamd te zijn. Juist in het actief kunnen bewegen ervaren we onszelf als lichamelijk en ruimtelijk. We zijn een ‘zelf’ als wezen die net zo goed fysische als mentale eigenschappen bezit.

Vervolgens neemt ze een tweede insteek n.l. het bevragen van ‘de brein in vat’ denkoefening. Ze constateert dat door filosofen als Daniel Dennett bewust-zijn grotendeels gezien wordt als denken of oordelen en dat voelen en ervaren niet goed passen in hun theorieën.. Het lichaam wordt niet genoemd. In het gedachtenexperiment van Dennett wordt denkbeeldig een lichaam van het hoofd gescheiden om een bom uit te schakelen. Het brein wordt in een fysiologische vloeistof levend gehouden. Waarnemingen en ervaringen kunnen direct in het brein ingevoerd worden via een life-support systeem. Volgens Dennett zit het antwoord op de vraag wie of wat we zijn in het brein. Het lichaam is inwisselbaar. Via dit voorbeeld, een analyse van fantoomverschijnselen en de werking van spiegelneuronen analyseert ze dat het brein nooit een actor kan zijn. We zijn handelende mensen in de wereld en zijn we via het lichaam en de wisselwerking met anderen en de wereld mens. We zijn nooit met ons hoofd niet bij ons lichaam.

De Lockeaanse persoon.

Daarna licht ze toe hoe de filosoof Locke zijn concept van persoon ontwikkelt. Vanuit het eerstepersoonsperspectief spreken we over ons zelf. Vanuit het derdepersoonsperspectief zijn we een persoon. Volgens Locke is de persoon niet louter geest en niet louter lichaam. De persoon wordt zo door Locke functioneel gedefinieerd. Hij gaat vooral in op wat de persoon gelijk maakt door de tijd heen. Zijn visie wordt gevoed door de vraag naar verantwoordelijkheid. Ontvang je aan het eind van je leven beloning of straf voor je daden. Bij de persoon hoort alles zover we er bewust van zijn. Zowel verleden, nu als toekomst. Vooral het idee van herinnering heeft in mensbeeld veel aandacht gekregen als constitutief voor de persoonlijke identiteit. Als we iets niet meer herinneren behoort het niet meer tot ons als persoon. Als we ervaringen uit ons leven kunnen vertellen, er een verhaal van kunnen maken zijn we iemand. Deze autobiografische opvatting is tegelijkertijd ook problematisch. Ons geheugen is niet erg betrouwbaar, maar ook kun je als mens de eerste vier jaar van je leven niet terug vertellen en stelt het falen van geheugen door dementie allerlei vragen aan dit idee over de identiteit van de mens.

Ook hier gebruikt Meijsing een casus om het persoon zijn van de mens te onderzoeken. Het gaat om Clive Wearing, een musicoloog die in 1985 getroffen wordt door een herpesvirusinfectie waardoor in de beide helften in zijn hersenen van zijn hippocampus werden vernietigd. Het is het deel van je hersenen waar je langere termijn geheugen zit. Alles wat meer dan halve minuut geleden is gebeurd kan hij zich niet meer herinneren. Dit heeft grote consequenties voor hemzelf en zijn vrouw. Volgens Meijsing is Clive ondanks het feit dat hij voortdurend in het nu leeft, toch een volledig persoon, iemand die aandacht, empathie en liefde heeft voor een ander, en zich als een zelf beschouwt. Er is een gevoel van identiteit, zijn ziel is intact. Dit alles ontkracht Lockes criterium voor persoon zijn.

Vervolgens bespreek ze het (neo)lockeaanse idee dat een persoon niet identiek is met een menselijk organisme. Locke zegt nergens waar een persoon van gemaakt is, en de neo-lockeaanse filosoof Lynne Baker worstelt met pogingen om een fysicalistisch monisme te formuleren waarin een persoon een entiteit is die noch helemaal los staat van, noch identiek is met een menselijk organisme. Meijsing weerspreekt de positie van Lynne Baker en laat zien dat het onmogelijk is scherp onderscheid te maken tussen de identiteit, van persoon en organisme.

Gradueel ontstaan van zelfbewustzijn

In de slothoofdstukken verwoord ze haar eigen positie. Bewustzijn en zelfbewustzijn zijn vermogens die geëvolueerd zijn, en de allereerste bouwstenen ervan zijn te vinden in leven zelf. Ze definieert leven als autopoiesis, zelf-making of zelf-constructie. Ieder levend organisme houdt zijn eigen homeostase, zijn eigen organisatie in stand. Het houdt niet de hele wereld in stand. Leven zelf impliceert al een grens tussen zelf en de rest van de wereld. Op dit idee van leven baseert ze een schets van de graduele ontwikkeling van bewustzijn en zelfbewustzijn, gedefinieerd (in lijn met Thomas Nagel) als het hebben van een gezichtspunt. Taal heeft een grote invloed op deze vermogens, maar er zijn primitievere vormen van bewustzijn en zelfbewustzijn, denk daarbij aan pre-talige baby’s, en niet-menselijke dieren.

Metafysische uitgangspunten van Monica Meijsing

Dit boek gaat niet expliciet over metafysica – het woord “metafysica” zelf komt er niet veel in voor. Maar wat ze uiteindelijk in dit boek probeert te doen is het bevragen van de denkbeelden over lichaam, geest, identiteit enz. die een metafysisch karakter hebben. Ze argumenteert zowel tegen lichaam-geest dualisme dat uiteindelijk in onze samenleving nog steeds dominant is, als tegen fysicalisme. Dat is het idee dat alles in de werkelijkheid (geest en bewuste ervaringen) herleidbaar zijn tot fysische principes en processen. Ze pleit voor een neutraal monistische metafysica van menselijke wezens. Daarmee bedoelt ze dat zowel mentale als fysieke verschijnselen zijn opgebouwd uit een onderliggende neutrale substantie die noch mentaal, noch fysiek is. Het zijn twee manieren om naar die neutrale basis te kijken als verschijningsvormen ervan. Het mentale en het fysieke zijn twee aspecten van één onderliggende werkelijkheid. Dan is het mogelijk hersentoestanden en mentale ervaringen te zien als manifestaties van iets wat daar aan ten grondslag ligt. En zo kun je persoonlijke identiteit zien als een samengaan van hersenprocessen, beleving, verhaal (narratief) en sociale context.  Daarnaast heeft ze een relationele, en volledig van mensen afhankelijke, notie van persoon. 

In haar zoektocht komt ze daarom uit bij een niet dualistisch mensbeeld met zowel geestelijke als lichamelijke kenmerken. Haar tweede, niet-metafysische claim is een relationele, en volledig van mensen afhankelijke, notie van persoon. We zijn altijd tweede-persoons-personen. We worden enkel personen door toegelaten te worden tot een menselijke gemeenschap van andere personen. Persoon-zijn wordt geconstitueerd door de reactieve attitudes van andere tegenover ons, en ook door onze eigen attitudes tegenover hen. Persoon-zijn is door en door relationeel en persoon worden is een relationele bezigheid. Deel van een gemeenschap worden en zijn. Ze sluit het boek af met het volgende citaat:

‘In mijn visie is het persoon zijn altijd een kwestie van ‘tweede persoon’ zijn. Het is het tweedepersoonsperspectief dat ons tot personen maakt: het zijn andere personen die ons opvoeden voor de toetreding tot een gemeenschap en die ons daadwerkelijk opnemen in een gemeenschap van personen. Het is in deze context van aansprakelijkheid en aanspreekbaarheid, van verantwoording afleggen tegenover anderen en tegelijkertijd verantwoordelijk zijn voor anderen, dat personen bestaan. Iemand spreekt je aan; je kijkt op van wat je aan het doen was en zegt: ‘Hier ben ik’.

Verwerking

  • Het boek is behoorlijk pittig en gedetailleerd. Het vraagt om twee keer lezen om grip te krijgen op haar vraagstelling en eigen positie. Soms gaat ze iets te lang door in de beschrijving van de casussen.
  • Door twee keer te lezen krijg je veel meer grip op woorden als persoon, lichaam-geest dualisme, eerste-tweede- en derde-persoon perspectief en alle valkuilen die ontstaan als je deze begrippen niet helder gebruikt.
  • De laatste twee hoofdstukken vonden we het meest interessant. Hierin probeert de schrijfster haar eigen positie in het bredere veld van filosofische posities duidelijk te maken. Als zelfbewustzijn wordt beschreven als het vermogen om het woordje ik correct te beschrijven en het juist gebruik van het woordje ik wordt gedefinieerd in termen van het hebben van zelfbewustzijn kom je volgens haar in een cirkelredenering terecht. Dan is het nodig om beter te verklaren hoe bewustzijn is ontstaan in een wereld die ooit is begonnen zonder dat er wezens waren met bewustzijn. Haar antwoord verruimde onze manier van kijken. Het begin van het mens-zijn zit in het waarnemen vanuit het eigen lichaam. Ze ziet het zijn en handelen van de mens vanuit het perspectief van een autopoietisch systeem dat zijn eigen organisatie in stand houdt. Het heeft door het functioneren in de eigen omgeving al bewustzijn. Waarnemen en bewegen horen bij een actief en bewegend organisme en gaan altijd samen. Met het ontstaan van zelf-bewegende dieren ontwikkelt zich de notitie van het eerste persoonsperspectief. Haar idee van het graduele ontstaan van bewustzijn van de eigen soort heeft hier haar basis en heeft zich uiteindelijk ontwikkeld tot het gedrag en denken van de huidige moderne persoon. Op deze manier gedacht kunnen planten en dieren op hun eigen manier een zelfbewustzijn hebben. De vraag die in het filosofisch debat speelt is hoe een baby kan opgroeien tot een wezen die zelfbewustzijn heeft. Bijvoorbeeld als een jong kind zegt: ‘ik wil een koekje’ kan het gaan om een primair verlangen (kind als autopoetisch, waarnemend, bewegend organisme) of is hier al sprake van een zelfbewust ik dat door de ouders wordt uitgenodigd om zichzelf te zien als een zelfbewust iemand die aan zichzelf verlangens en overtuigingen toeschrijft. Komt de tweede opvatting logisch voort uit de eerste of is het vermogen tot zelfbewustzijn van mensen een totaal ander iets dan die van planten en dieren. Er is inderdaad verschil tussen ‘de feeling what happens’ (ervaren van iets) en talig kunnen denken dat er iets met me gebeurt. Toch is er in beide analyses achter de zin ‘ik wil een koekje’ een praktijk van ‘mijnheid’ en worden kinderen via hun ouders geleerd om te groeien in zelftoeschrijving. Deze mijnheid gaat vooraf aan een interpersoonlijke praktijk van vragen en antwoorden, aansprakelijkheid en aanspreekbaarheid, verantwoording afleggen en verantwoording voor anderen nemen. (zie het debat op bij nader inzien)
  • Het identiteitscriterium van de persoon (door de tijd heen en herinnering) is complex. Een meer realistisch scenario is voor de schrijfster niet het eerste persoonsperspectief of hetzelfde lichaam, maar – en ook dat zette ons aan het denken – het voortgezette leven. Het organisme gedacht vanuit het perspectief van autopoietisch denken, krijgt een steeds verfijnder eerstepersoons-perspectief.
  • Dit brengt haar tot haar tot de nadruk op het tweede persoonsperspectief. In de Kantiaanse traditie is een persoon iemand die zichzelf constitueert onafhankelijk van wat anderen vinden. Maar in haar idee zijn we als organisme, maar ook als persoon afhankelijk van anderen. Dit is tegelijkertijd een moreel ethische positie. Je kunt als mens niet alleen leven, maar sterker je hebt verantwoordelijkheid voor die ander, zoals die ander dat heeft voor jou.
  • Kortom. Wat ze betoogt is dat als je het cartesiaanse dualisme echt achter je wilt laten, dan moet je ook de strikte scheiding tussen biologie en psychologie achter je laten. We zijn, fundamenteel gezien, menselijke organismen, maar dat betekent niet dat we alleen organistische of biologische kenmerken hebben. We zijn evenzeer psychologische wezens als biologische wezens, net zozeer mentale als fysische wezens.
  • De vraag die bij ons bleef hangen en in het boek niet verder uitgewerkt wordt is wat de consequenties van haar positie zijn. In haar reactie op de bijdragen van filosofen op een studiedag over het boek gaat ze dieper in op de vraag naar de vraag wanneer je kunt spreken over ‘persoon zijn’ :
  • Misschien bedoelt ze het hebben van een soort Theory of mind: het weten dat anderen andere perspectieven en andere ervaringen kunnen hebben. In dat geval zouden (althans, volgens een veel aangehangen opvatting) autistische mensen worden uitgesloten als personen en kinderen vanaf een jaar of zes ingesloten. Dat lijkt me niet helemaal juist. Of betekent het het hebben van een zekere mate van empathie? Ook daar zie ik problemen. Je zou juist kunnen zeggen dat autisten weliswaar moeite hebben met empathie, maar dat ze op een theoretische manier kunnen leren rekening te houden met de gevoelens van anderen.[14] Andersom kan ik me mensen voorstellen die heel veel empathie hebben, maar die zo’n laag niveau van cognitief functioneren hebben dat ze niet goed in de maatschappij kunnen functioneren, en in die zin niet als verantwoordelijk voor hun daden gezien kunnen worden. Zouden zij als personen beschouwd worden?
  • In haar visie van autopoiesis of zelf-constructie functioneren mensen vanuit hun lichamelijke behoeften, met hun taalvermogen en vanuit het bestaande sociale netwerk. Haar spreken over graduele ontwikkeling sluit hierbij aan. Ik kan me voorstellen dat rechters en sociaal hulpverleners worstelen met de vraag in welke mate hun cliënten verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor hun gedrag en in welke mate mensen ondersteund of begeleidt kunnen worden. Het boek en het debat bieden in ieder geval interessant en boeiend materiaal. Een praktijktoepassing zou het debat helderder en levendiger maken in haar doel een breed publiek te bereiken.
  • Ten slotte de titel van het boek vonden we een beetje flauw. Het is evident dat als je onder narcose bent, je je niet bewust bent van wat er gebeurt, maar dat je dan nog wel ‘bestaat’. Als we slapen gebeurt dit elke nacht. Haar uiteindelijke doelstelling is het komen tot een breder, meer integraal verfijnder sociaal beeld van mens zijn, maar hoe zeg je dat kernachtig in een titel? Wij hadden geen beter voorstel.

Ik heb gebruik gemaakt van een artikel op de website Bij nader inzien, waarin de schrijfster ingaat op hetgeen ze duidelijk wil maken. Ook geef ik haar reactie op de vier filosofen (Jenny Slatman, Leon de Bruin, Katrien Schaubroeck en Sanneke de Haan) die commentaar geven op de hoofdstukken van het boek. Deze stukken zijn ook te vinden op Bij nader inzien. https://bijnaderinzien.com/2018/03/23/waar-was-ik-toen-ik-er-niet-was-deel-6-repliek-door-de-auteur/


Ontdek meer van Filosofie lezen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Plaats een reactie