Deze winter lezen en bespreken we een klein boekje in de serie Elementaire deeltjes van de Belgische filosoof Dirk de Schutter over Martin Heidegger (1889-1976). Sommige mensen spreken over de belangrijkste filosoof van de 20e eeuw. Bij een onderzoek onder filosofiedocenten van de Nederlandse universiteiten van het Filosofie Magazine kwam hij echter niet voor in de top 10 van de filosofische canon en benoemden enkele deelnemers hem als overgewaardeerd. Wat het allemaal niet gemakkelijker maakt om hem te waarderen was zijn lidmaatschap van de NSDAP gekoppeld aan zijn hoogleraarschap aan de Universiteit Freiburg en uitspraken in zijn dagboeken over Joden. Derk de Schutter is duidelijk wel overtuigd van de meerwaarde van Heidegger, maar besteedt is een klein hoofdstukje wel aan zijn nazistische sympathieën. Hij schrijft dat Heidegger zich op het nazisme heeft verkeken. Heidegger heeft zelf na de oorlog toegegeven een foute afslag te hebben genomen.
De prestatie die De Schutter levert met dit boekje is groot. Op basis van het werk van Heidegger (20.000 p.) komt hij tot een introducerende en makkelijk te lezen werk van 132 pagina’s met daarin de belangrijkste begrippen en samenhangen. De opbouw is dat hij na een beknopte biografie komt hij met drie delen die elk opgedeeld zijn in 6-9 paragrafen. 1. Existentiefilosofie; 2. De zijnsvraag; 3. De opgave van het denken. Met tussendoor het intermezzo Heidegger en het nazisme. Het boekje sluit af met een bibliografie, in het Nederlands vertaalde boeken, aangehaalde werken en een personenindex.
Deel 1 De existentiefilosofie, begint met hoe Heidegger geïnspireerd door het werk van Husserl (en Brentano) de fenomenologische methode overneemt en vernieuwd. Hij richt zich daarbij op de dagelijkse werkelijkheid (existentie) van het menselijk bestaan en niet op theoretische kennisverwerving. Het dagelijkse en de beleving van de werkelijkheid gaat onder andere via stemmingen van de mens zoals angst en verveling. Het gaat hem daarnaast om de zorg voor de wereld, de medemens en het eigen ik. Centrale begrippen zijn daarbij Sein zum Tode en Dasein. Als je begrijpt dat je in het leven ‘geworpen bent’, ooit zult sterven, dan weet je dat er in je leven iets op het spel staat. Van gebruiken van je talenten tot de zorg voor anderen en de wereld. Je kunt daarbij mee gaan met ‘men’, de sociale groep of de massamens, maar je kunt ook je eigen spoor kiezen. Dan ben je daar authentiek in. Vanuit dit besef van mens zijn komt Heidegger tot een totaal andere invulling van het begrip tijd. Niet lineair zoals de klok de tijd wegtikt en alle minuten vergelijkbaar zijn, maar een tijdbesef die je Kairos noemt. Tijdsmomenten die ‘betekenis’ hebben en zo gevuld zijn. En op die manier krijgen de begrippen verleden, heden en toekomst een andere verhouding tot elkaar. Verleden is niet alleen oude koek, maar je kunt ook ervaringen uit het verleden overnemen (of afwijzen) en de toekomst is niet ver weg, maar gebeurt in het nu.
Deel 2 De zijnsvraag gaat over het begrip ‘Zijn’ waarbij de these van Heidegger is dat het zijn in ons denken verwaarloosd is met alle gevolgen van dien. Hij noemt dit Zijnsvergetelheid en Nihilisme. Om dit te overwinnen is destructie van de ontologie nodig. Dit ontmaskeren van de genealogie van de filosofiegeschiedenis beslaat een belangrijk deel van zijn boeken. Het gaat daarbij om een zorgvuldige analyse van het denken van Plato, Nietzsche en de uitwerking van dit denken in onze technologische samenleving. Na een paragraaf over Zijnsvergetelheid komen vervolgens aan bod: de destructie van de ontologie: het programma; De leer der oorzaken; de moderne objectiviteit; het Humanisme; Techniek; de geschiedenis van het zijnsverstaan.
Deel 3 De opgave van het denken is een resthoofdstuk waarin een aantal thema’s aan bod komen uit de jaren 50-60.met een aantal losse paragrafen over kunst en poezie, Holderlin, de vroegste Griekse denkers, wonen en het thema gelatenheid.
Wat Heidegger doet is de logica van ons denken bevragen. Vooral het feit dat we zaken willen oplossen en ‘maken’. Dit ‘berekenend denken’ is een valkuil. De Schutter schrijft: Hij moedigt ons aan om in het denken te verzaken aan het ongeduld en de wil om problemen op te lossen en hij roept ons op om halt te houden bij het bedenkelijke: bij wat te denken geeft en in het denken woorden zoekt. Dat bedenkelijke schuilt in het wonderlijke gegeven dat er zijnden zijn. p. 10
Het werk van Heidegger is complex en gaat om de basisvragen rondom kennen, ervaring en waarheid. De Schutter maakt deze denkbeelden met zijn boekje behapbaar voor mensen met interesse in filosofie. Tegelijk tipt hij ook de thema’s aan waar de professionele filosofen zich mee bezig houden. Ieder kan er het zijne of hare uit halen. En zelf verder lezen in verdiepende literatuur. Zie mijn suggesties hieronder. We bespraken het boekje in de leesgroep tijdens één avond. Dat is te weinig om zo’n omvangrijk denksysteem goed te leren begrijpen. Zelf las ik de biografie van Rudiger Safranski Heidegger en zijn tijd, die aan de hand van de levensloop dieper in gaat op de context van het denken van Heidegger, maar ook iets meer onthult over de relatie met Hannah Arendt voor en na WOII en de mogelijke afwegingen die Heidegger had om zich aan te sluiten bij de NSDAP.
Hierna werk ik een paar begrippen uit die ik vast wil houden. Ook geef ik een paar reflecties vanuit de leesgroep en eigen ontdekkingen en verwijs ik naar enkele sites en boeken die ik heb gebruikt.
- Menselijke existentie
Hoewel Heideggers filosofie eerder fundamenteel analytisch is, probeer ik allereerst zijn denkbeelden te beschrijven als zijn wereld- en mensvisie.
Allereerst zoekt hij, beïnvloedt door de fenomenologie van Husserl naar de essentie van de mens in het gewone dagelijks leven. Het in de wereld zijn en de praktische omgang met de dingen dat hij ‘voorhandenheid’ en ‘terhandheid’ noemt. Het zijn van de mens ligt in het bestaan. De mens ‘bestaat’ in tegenstelling tot dieren die leven. Daarom spreekt Heidegger niet over de mens, maar over ‘het zijnde’ dat we zelf zijn of te wel ‘Dasein, er zijn’. Daarmee toont hij een scepsis ten opzichte van klassieke begrippen als Geest, Ziel en persoon. In zijn filosofie gaat het dus om het bestaan als het ‘er zijn’ van de mens en het zijn met anderen, altijd opnieuw. Op deze manier wordt het woord Zijn transitief gemaakt. Dat wil zeggen dat het bestaan mij is gegeven en het is aan mij om dit zijn steeds opnieuw verantwoordelijk in te vullen, te voltrekken en daar in authentiek te zijn. Heidegger noemt dit ‘Eigentlichkeit’. Om dicht bij dit authentiek zijn te komen gebruikt Heidegger de fenomenologische waarneming van persoonlijke stemmingen. Nadruk op de eigen stemming staat tegenover het rationele, het zonder gevoel zijn, het algemene objectieve. Hij spreekt over grondstemmingen als Angst en Verveling. Deze stemmingen confronteren ons met het ‘te zijn’, en richten we ons op de wereld en momenten van onze naaktheid als mens. In de idee van Heidegger is de mens in de feitelijkheid van het bestaan geworpen. Ons lichaam, familie, taal. De wereld als een tekst die ik moet leren lezen. Het is een mij toevertrouwde ‘Schuld’ ten aanzien van de mensen die voor mij hebben geleefd, de cultuur die me is toevertrouwd. Met deze bagage heeft de mens de vrijheid zijn eigen leven te ontwerpen. Het is de wet van de ‘jemenigheid’, de verhouding tussen te zijn hebben en het te zijn kunnen. Het bestaan is mij toevertrouwd en mijn zorg. Dat wil zeggen: moeite, planning, zorgvuldigheid en toewijding. Deze opdracht om je eigen leven te leiden staat in het licht van de dood: het ‘Sein zum tode’. Bij hem is dat leven met het besef dat je op een bepaald moment zult sterven, maar het is ook het leven met het kruis van onvolkomenheden en tekorten, smart en gemis. Het niet. Het ‘sein zum tode’ individualiseert. Zo wordt je de mens die je bent. Daarbij komt de stem van het geweten, die me stil maakt, ontregelt, en aanspoort om mijn ‘Sein zum tode’ te aanvaarden. Om zo het tekort van mijn Zijn ‘te zijn’. Het is een vreemde macht die in mij oprijst met de vraag: Wie ben ik? Wie deze opdracht van ‘Sein zum tode’ ontloopt is ‘oneigenlijk’ en gaat voorbij aan zijn ‘meest eigen mogelijkheid’. Dan ben je een Niemand en deel van Das Man, de ‘Men mensen’ die hun verantwoordelijkheid ontlopen, het leven steeds makkelijk maken, die anoniem zijn, geen eigen mening uitdragen. Dat leven bestaat uit gepraat, nieuwsgierigheid en ambiguïteit in de vorm van gebabbel, verstrooiing en het voortdurend het nieuwe willen zien. (social media verslaving) Deze massificatie en consumptie is een voorbeeld van ‘ten dode zijn’ en staat tegenover echt kijken en echt luisteren. Tenslotte noem ik nog zijn begrip ‘Fursorge’. In het idee van Heidegger zijn wij mensen deel van een geheel, verbonden met anderen. Zoals we met een auto afhankelijk zijn van de monteur van de autodealer. Dit verbonden zijn vraagt om openheid, en tonen bij het tekort aan zijn. Openhartigheid en onbevangenheid. Dingen mogen op het spel staan. En dit staat tegenover te simpele vastberadenheid. - De westerse manier van denken. Heideggers destructie van de ontologie.
Heideggers bedoeling is om het westerse denken te reconstrueren en te wijzen op onder andere het gevaar van de rol van techniek. Simpel beschreven wijst Heidegger op het ‘berekenend denken’ van onze samenleving. En dit heeft historische wortels in het denken van allereerst van Plato en zijn twee werelden leer waarbij alle voorwerpen een afschaduwing hebben in de wereld van ‘ware ideeën’. Ook geeft Plato ons het idee van denken door de woorden ‘theorie’ en ‘idee’. Het gaat om het belang van zien, het is een mentaal proces want ‘idea’ betekent het geziene. En ‘idein’ is ‘gezien hebben’; weten. In de ogen van de geest zien we. En ‘theoria’ betekent schouwen. De filosofie heeft lang gedacht dat waarheid te vinden was in de wereld van ideeën. Van grote invloed op westerse rationaliteit was ook de ‘vier oorzaken leer’ van Aristoteles. Denk bijvoorbeeld aan de vier oorzaken van het idee tafel. Dat is a. de stof of materiaal waarvan de tafel gemaakt is. b. de formele oorzaak of vorm van een tafel. c. de efficiënte oorzaak/ de timmerman die de tafel timmert en tenslotte d. het doel van de tafel: het aan tafel eten of werken. Deze vier oorzaken-leer is gericht op het waarom: het leren kennen, het ontstaan en begrijpen.
Wat Heidegger met zijn fenomenologische kijk op ‘de zaken zelf’ stelt is dat het niet gaat om de analyse van objecten vanuit een berekenend intentioneel bewustzijn en dat ‘wat iets is’ meer aandacht krijgt dan ‘dat iets is’. En zo maakt hij een onderscheid tussen ‘Zijn’ en de ‘zijnden’.(objecten, entiteiten, dingen die bestaan enz.) Daarbij is het Zijn van de fenomenen beladen en toegedekt door uitleg. Terwijl Heidegger het Zijn ziet als een geheim en verborgen. Het zijn laat zich niet als een ding of als een zijnde identificeren. Het Zijn is geen zijnde – Heidegger maakt een fundamenteel onderscheid tussen het Zijn en de zijnden (entiteiten, dingen die bestaan). Wij zijn geneigd alleen over zijnden na te denken, maar vergeten het Zijn zelf. Dit noemt hij de “Seinvergessenheit” (vergetelheid van het Zijn).
Het Zijn is altijd anders dan het zijnde en het onthult en verbergt zich tegelijk. Heidegger gebruikt het begrip Lichtung (openheid) om te beschrijven hoe het Zijn zich toont, maar ook hoe het zich tegelijkertijd gedeeltelijk verbergt.
Het Zijn kan niet volledig conceptueel vastgelegd worden – Volgens Heidegger kan het Zijn niet volledig begrepen worden met traditionele metafysische begrippen. Of te definiëren in termen van essentie, substantie of aanwezigheid. Dit maakt het ‘Zijn’ mysterieus en ondoorgrondelijk.
Het Zijn vereist een bepaalde ontvankelijkheid – Heidegger stelt dat de mens (Dasein) zich moet openstellen voor het Zijn en het niet als een object moet benaderen. Dit vraagt om een houding van luisteren en laten-zijn, eerder dan analytische controle.
Na WOII, als Heidegger een tijd niet mag doceren vanwege zijn houding en lidmaatschap van de NSDAP, werkt hij nieuwe begrippen uit zoals het begrip ‘Gelatenheid’. Een van de vernieuwingen die Heidegger heeft doorgevoerd is zijn denken over stemmingen. Deze onthullen en openbaren en verlenen toegang tot het Zijn en laten ons het ‘niets’ ervaren. Dit staat tegenover het maakbaarheids denken van onze tijd. Doordat we beschikken over veel kennis en ‘Vernunft’ en door het ‘rekenend denken’ leunen we op wetenschap en technische kennis, waardoor het besef dat de zin van het bestaan elders ligt, waardoor het ervaren van het ‘zijn’ naar de achtergrond verdwijnt. Bij de vraag hoe hier beter mee om te gaan komt Heidegger uit bij een begrip van de mysticus Johannes Eckhart die spreekt over gelatenheid. Bij dit idee ligt de nadruk op ‘laten’. Het gaat om een gelatenheid die verzaakt aan de wil om alles te willen controleren en beheersen. Volgens Heidegger hebben we in de 20e eeuw de razernij van de wil gezien . Een houding van gelatenheid houdt het midden tussen gewelddadig ingrijpen en passiviteit, tussen passief en actief, nabijheid en afstandelijkheid, wachten en toch betrokken zijn.
Tot zover de belangrijkste gedachten uit het boekje. Hierna volgen nog wat uitwerkingen van thema’s die het lezen bij me opriepen.
Ontologische differentie
Zijn nadruk op het verschil tussen Zijn en zijnde is een belangrijk filosofisch onderscheid. Om tot een goed fenomenologisch kijken te komen is volgens Heidegger destructie nodig en wel destructie van de ontologie. (Ontologie gezien als een verzameling van begrippen middels welke de wereld kan worden beschreven en begrepen). De deconstructie van de begrippen van de filosofie en de metafysica heeft als doel om nieuw en oorspronkelijk denken en spreken mogelijk te maken. Omdat wij in een sociaal verband leven zullen we over het algemeen zeggen wat ‘men’ zegt en wat ‘men’ doet. Daarmee houden we ons over het algemeen aan de gebruiken, regels en taal van die gemeenschap op dat moment in de tijd. Tegen deze achtergrond maakt Heidegger een onderscheid tussen ‘eigenlijk zijn’ en ‘oneigenlijk verstaan’ van zichzelf of Dasein. Door te wijzen op het verschil tussen Zijn en de zijnden breekt hij het bestaande westerse denken over kennis en waarheid open en vraagt hij aandacht voor de ‘mogelijkheid van nieuwe waarheden en ervaringen’. Dit verschil tussen Zijn en zijnde, datgene wat ruimte geeft wordt ontologische differentie genoemd.
Gert Jan van der Heiden beschrijft in zijn boek Metafysica, hoe de deconstructie die Heidegger toepast, invloed heeft gehad op het latere denken over zijn, waarheid en ervaring. Hij schrijft:
‘Het bijeenhoren van denken als ervaren en van zijn als anders-kunnen-zijn dient waargemaakt te worden, maar dit waarmaken is geen activiteit van het denken of van de wil, maar is het gebeuren van het Zijn zelf waar de mens getuige van is. Precies dit waarmaken wordt aangeduid met het Heideggeriaanse begrip van waarheid. Zijnswaarheid verwijst dan niet langer naar de redelijke orde van de zijnden die door de rede gekend kan worden, maar naar het zich melden van het Zijn aan het denken, dus naar het verschijnen van het zijnde voor een gezichtspunt. De waarheid van het denken is dan niet langer de overeenstemming met een redelijke orde, maar betreft het vermogen van het denken om open te staan voor wat de bedachte orde overschrijdt en om wat anders dan de orde te laten zijn zoals die is’. p. 306
Dit onderscheid of verschil tussen de zin of wezen van Zijn en de verschijnende objecten en gedachten is door de latere filosofen als Levinas, Merleau Ponti, Sartre en Derrida, de zogenaamde differentiefilosofen, verder uitgewerkt. Denk bijvoorbeeld aan Levinas die als kernidee het ‘anders zijn’ van de ander uitwerkt. In zijn boek Metafysica beschrijft van der Heiden deze ontwikkeling die gaat van orde naar ontvankelijkheid. Was het zoeken van de klassieke filosofen en scholastici gericht op een waarheid als overeenstemming en correspondentie ingebed in een rationele door God gegeven orde, gaat de hedendaagse filosofie meer uit van contingentie, ervaring, levenssamenhang en de werking van taal. Zo wordt meer het belang gezien van toeval, gebeurtenissen, en de getuigenis van mensen. Dit vernieuwt het denken over wat ‘waar’ is. Denk bijvoorbeeld aan verhalen van slachtoffers van racistisch geweld of van de toeslagenaffaire. Van der Heiden schrijft: ‘De waarheid van een gebeurtenis is niet theoretisch vast te stellen, omdat die waarheid nog moet worden waargemaakt in en door de handeling van degene die trouw is aan de gebeurtenis: de gebeurtenis verandert de orde alleen omdat er mensen zijn die de orde in het licht van de eisen van de gebeurtenis aanpassen’. p. 274
Uiteindelijk vernieuwt zich het denken over wat ‘waar’ is en moet ook dat denken zich steeds weer deconstrueren en vernieuwen. Heideggers deconstructie is een meta-logica, een denken over denken die van grote invloed was op de filosofie in de 20e eeuw.
Heidegger ziet het Zijn als iets wat zich alleen in bepaalde momenten van waarheid (Aletheia) openbaart, maar nooit volledig prijsgeeft. Deze meta-logica gaat tegelijkertijd ook over dagelijkse discussies en praktijken die je terug vindt in de krant of tijdens gesprekken tussen mensen. Denk bijvoorbeeld aan het schuiven van denkbeelden over discriminatie en racisme, het denken over man-vrouw verhoudingen en gender of de omgang met dieren.
Heidegger en de ontwikkeling van het fenomenologisch kijken
Husserl zoekt het fundament van de kern van het filosofisch denken in de fenomenen (Grieks: phainomai dat verschijnen betekent). Dat wil zeggen in de werkelijkheid zoals deze verschijnt en zich voordoet aan het bewustzijn. Het terug naar de zaken zelf is de slogan van de fenomenologische beweging en dat betekent het afkeren van de theoretische constructies en hersenspinsels van filosofische systemen en wereldbeschouwingen. De methode zet de theoretische aannames ‘tussen haakjes’. Er is geen idee of essentie die achter het verschijnsel schuilgaat. Husserl ging uit van het intentioneel karakter van het bewustzijn. Elk binnen van zelfreflectie is voor hem ook altijd exterioriteit, een buiten. Dit fenomenologisch zien richt zich op de activiteit en passiviteit van het waarnemen zelf waardoor het waargenomene als waargenomene verschijnt. Dit wordt ook fenomenologisch reductie genoemd. Het tweede beginsel is het principe van alle principes: Elk oorspronkelijk gegeven aanschouwing is een rechtsbron van kennis. Alles wat zich aan ons in intuïtie oorspronkelijk aanbiedt wordt aanvaardt. Het gaat om de oorspronkelijke ervaring. Oftewel terug naar de zaak zelf. De ‘anschauung’ die Husserl onderneemt betreft gewone voorwerpen, maar ook ideële objecten zoals een punt of lijn en verder categoriale ‘Anschauung’ zoals de conditie van een ding, mens enz.
Heidegger verwijt Husserl echter dat hij wel spreekt over bewustzijn, subject, of ideële voorwerpen, maar vergeet, vanuit het gedachtengoed van Brentano de vraag te stellen naar ‘het Zijn’ van het bewustzijn, het subject en voorwerpen, of te wel het hele bewustzijn. De Schutter: ‘Wat is het zijn van het intentionele gerichtheid? Is dit het zijn van een subject? Wat is de aard van de intentionaliteit? Is dat waarneming? p. 28. Heidegger ziet dat Husserl bij het onderzoek naar de ‘vraag zelf’ te snel allerlei begrippen uit de klassieke ontologie gebruikt. Hij probeert het subject-object schema te doorbreken en vernieuwt daarmee het fenomenologisch denken van Husserl. In plaats van intentionaliteit stelt Heidegger het ‘in de wereld zijn’ – het volkomen verweven zijn van mens en wereld – centraal. Ten tweede stelt Husserl het weten en kennen nog centraal en dit is bij Heidegger secundair en afgeleid. Oorspronkelijker dan weten en kennen is bij Heidegger de stemming, en is het verstandig omgaan met zichzelf, de medemens en de omgeving belangrijk. De nadruk ligt bij hem op de praktische omgang met dingen. Het ‘terhand zijn’ of voorhanden zijn van dingen/tuigen. Het menselijk zijn ligt in het bestaan; de mens bestaat of existeert op een bepaalde manier in z’n omgeving, in de wereld als geheel. Zo hoort hij bij de groep filosofen van het existentialisme. (Jaspers, Marcel, Sartre, Camus) Heidegger denkt de mens vanuit het Zijn en daarmee wijst hij de meer klassieke definitie van een mens als ‘redelijk wezen’ af. De schutter schrijft: ‘De mens bestaat als er-zijn, hij is er: hij is de plaats en de tijd waar en wanneer het zijn van al wat is, het zijn van hemzelf en van andere mensen en van het geheel der zijnden, die in de openbaarheid treedt, zich toont. De mens is er, een ‘er’, nietig, maar met een verheven opdracht: te bestaan als het ‘er’ waar het Zijn van de zijnden plaatsgrijpt’. P30
Dit Zijn kun je in gewone taal benoemen in de zin: ‘je moet je eigen leven leven’. Volgens Levinas is dit de grote ontdekking van Heidegger nl. dat hij het woord Zijn transitief maakt. Dat wil zeggen: het leven is nooit af of voltooid. De mens dient zijn bestaan telkens opnieuw te voltrekken. Dit noemt Heidegger ‘Jemenigkeit’. Mijn bestaan is mij in handen gegeven. Het is aan mij om daar verantwoordelijkheid in te nemen. Dan ben ik ‘eigenlijk’ of authentiek. Als ik dat niet doe ben ik ‘oneigenlijk bezig’.
Heidegger en geloof.
Heidegger afkomstig uit een klein stadje in Beieren, kon met kerkelijke stipendia theologie gaan studeren in Freiburg en koos uiteindelijk voor het vakgebied van de filosofie. Als het gaat om denken over wie of wat God is vanuit zijn Zijns-ontologie, stelt hij dat ‘God niet Zijn is, en Zijn niet God’. Naar zijn idee heeft de filosofie zich in de geschiedenis laten verleiden om ontologie en theologie met elkaar te verstrengelen. In zijn idee is God ook een zijnde. Hij spreekt dan over het onto-theologisch karakter van het denken. Toch heeft Heidegger de vraag naar God nooit losgelaten, en had hij gesprekken met de theoloog Bultmann, maar voor hem moet ook de theologie aan destructie worden onderworpen en Godsbeelden ontmanteld. Hij citeert bijvoorbeeld Blaise Pascal die schrijft: ‘Het hart heeft z’n redenen die de rede niet kent’. En volgens Nietzsche heeft de theologie het heilige en de ervaring verstikt. Zijn onderzoek naar het begrip ‘Gelassenheit’ dat hij bij de mysticus Eckhart vandaan haalt is ook een voorbeeld van verwevenheid van zijn denken met de christelijke traditie.
Reactie van de leesgroep
Hierbij wat leeservaringen en thema’s na het lezen van het boekje: het belang van besef van sterfelijkheid en de daar aan gekoppelde vraag hoe goed te leven en een authentiek mens te worden; het in het leven geworpen zijn; je zou hier een goed zelfhulpboek over kunnen schrijven; de omgang met techniek en het belang van wetenschap wat zowel een gevaar is als een kans; de leesbaarheid van Heidegger en zijn poging om met nieuwe begrippen de bestaande orde van denken los te maken en te vernieuwen; de vraag naar de ethische positie van Heidegger gezien zijn keuze voor het gedachtegoed Hitler; De spanning tussen deel zijn van het Men, de invloed van je sociale omgeving wat altijd speelt en het eigen persoon zijn; belang van zorg, voor jezelf, de ander en de wereld. In de wereld zijn is zorg. Je bekommeren; Het belang van openheid en verwondering gerelateerd aan het idee dat het Zijn zonder grond is. Een niets en dat Zijn geeft te denken, het is een geheim die vraagt om luisteren en ontvangen; de kritiek van Heidegger op Sartre en het existentialisme. De idee van jemeinigkeit is goed, maar de grote nadruk op verantwoordelijkheid voor je eigen leven houdt geen rekening met het ‘in het leven geworpen zijn’; Heidegger en geloof blijft een vraagteken. Nadat God door Nietzsche dood is verklaard lijkt er iets goddelijks via Het Zijn weer in ons denken terug te keren. Dat lijkt toch weer op een pseudo christendom waarvan we dachten van verlost te zijn; En natuurlijk de vraag naar de persoon Heidegger, zijn relaties en de ambivalente reactie van Hannah Arendt als zij Heidegger na de oorlog weer spreekt; In een briefje aan Heidegger over haar nieuwe boek schrijft Hannah Arendt over haar verhouding tot hem: ‘De Vita Activa/ De opdracht in dit boek is opengelaten./ Hoe moet ik het aan jou opdragen,/ aan de vertrouwde,/ aan wie ik trouw gebleven ben,/ en niet gebleven ben,/ En beide in liefde.’
Eigen verwerking.
Het boekje van Dirk de Schutter geeft, zo ver ik kan beoordelen, kort en compact de denkbeelden van Heidegger weer. Opvallend is dat veel gedachten over de menselijke existentie langzamerhand een plek hebben gekregen in ons dagelijkse denken. En in ieder geval niet helemaal vreemd zijn. De Schutter zet alles weer helder op een rijtje. Anders is het met de twee andere delen over de zijnsvraag en de opgave van het denken die veel dieper in gaan op de grote denkvragen over de mens en waarheid. Daar ligt denk ik zijn bijdrage aan de ontwikkeling van het filosofisch denken. Vandaar dat ik er andere literatuur over fenomenologie en metafysica er bij gepakt heb. Dat werkte verhelderend als het gaat om de brug naar meer hedendaagse filosofen waarvan we al eerder boekjes lazen: Merleau Ponti over De wereld waarnemen; Welten over De Beauvoir en het existentialisme van Sartre en zijn invulling van de dialectiek van ‘het zijn en het niet’. En tenslotte twee boeken van Jan Keij over Kierkegaard en Levinas. Met name het laatste boekje gebruikt het dialectisch denken als denkinstrument. In de biografie van Safranski wordt duidelijk dat ook Heidegger kind van zijn tijd was en niet over zijn schaduw heen heeft kunnen denken. Hoewel hij een groot theoretisch denker is, was zijn morele intuïtie om het opkomende nazisme te doorzien minder sterk ontwikkeld dan iemand als Thomas Mann, vermoed ik. Maar is dat niet een bewijs dat we als mensen altijd maar een deel van de puzzel van het leven kunnen overzien. Als hij stelt dat ook de theologie ‘gedeconstrueerd’ moet worden vraag ik me wel af welk beeld hij had van jodendom en christendom. Om een paar dingen te noemen: bij de profeten van het oude testament kun je lezen dat JHWH, niet in de tempel is maar ergens anders; in de christelijke mystiek is het begrip ‘nacht’ belangrijk,het niet of afwezigheid van God; tenslotte verscheen er in de jaren ‘80 een boekje van Huub Oosterhuis en Edward Schillebeeckx met als titel God is elk ogenblik nieuw. Kortom genoeg differentie. Heidegger geeft met zijn denkbeelden zijn lezers een serie begrippen die helpen om op zijn leven te reflecteren of om zelf nieuwe woorden te zoeken voor eigen grondervaringen. Maar ook de filosofische gereedschapskist bijgevuld.
Verder lezen
- https://www.tilburguniversity.edu/nl/over/schools/tshd/departementen/dfi/wijzer/heidegger
- https://nl.wikipedia.org/wiki/Dasein
- https://www.groene.nl/artikel/de-man-van-de-gevaarlijke-afdalingen
- Promath Heidegger. https://www.promath.nl/Heidegger/in-de-wereld-zijn.htm#:~:text=’Op%2Dzichzelf%2Dvooruit%2Dzijn%20naar%20zijn%20eigen%20kunnen%2Dzijn’%2C%20zo%20verwoordt,en%20potentialiteit%20heeft%20ook%20zijn%20weerslag%20op
- Ciano Aydin De vele gezichten van de fenomenologie. Kampen 2007
- Rudiger Safranski Heidegger en zijn tijd. 2002
- Gertjan van der Heiden Metafysica. Van orde naar ontvankelijkheid. Amsterdam 2021
Ontdek meer van Filosofie lezen
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.










Heidegger wordt vaak afgeschilderd als duister, moeilijk toegankelijk of zelfs volstrekt onbegrijpelijk. Mijn ervaring met het bestuderen van Zijn en Tijd is een geheel andere. In het artikel met als titel ‘Heerlijk Helder Heidegger’ leg ik uit waar dat beeld volgens mij vandaan komt. Het eindigt met een pleidooi om je niet te laten afschrikken en dat het zeer de moeite waard is om Heidegger zelf te bestuderen. Dit artikel is te vinden in mijn blog la vie est beau (lavieestbeau2.wordpress.com)
LikeLike
Dankjewel
Jan van Diepen
06-44852227
http://nl.linkedin.com/in/janvandiepen/
https://filosofiegroephaarlem.com/
LikeLike
Het belang om onze sterfelijkheid onder ogen te zien en de existentiële angst die daarbij gepaard gaat, heeft ook mij aan het denken gezet. Mijn gedachtes daarover heb ik uitgewerkt in een artikel dat als titel draagt ‘Moeten we bang zijn voor het existentialisme?’ (eveneens te vinden op mijn blog ‘lavieestbeau2.wordpress.com). In plaats van angst als grondstemming te nemen heb ik mij laten inspireren door de grondstemming van de verbondenheid die het lezen van Zijn en Tijd bij mij heeft weten op te roepen. Dit heeft mij gebracht tot een iets andere kijk op de dood en daarmee ook op het leven. Met als conclusie dat achter Heideggers Sein-zum-Tode een Sein-zum-Leben schuilgaat… De consequentie die daaruit volgt is dat het er niet om gaat de dood te leren accepteren, maar om het leven te accepteren dat de dood omvat.
LikeLike