Door de grote verkiezingsoverwinning van de PVV (november 2023) duikelen de verklaringen voor die overwinning over ons heen. Gaat het om een kwetsbare groep inwoners van Nederland die, als het gaat om inkomen, wonen en werk, in de steek is gelaten door de overheid? Anderen spreken over diepere lagen van individualisme, verdwijnen van samenhang en de kloof tussen randstad en platteland, het ontstaan van bubbels waarbij bepaalde mensen zich verschraald, bedreigd en als een naaktslak voelen. In ‘De populistische verleiding’, de keerzijde van de identiteitsillusie, uit 2017 onderzoekt Sybe Schaap, filosoof, bestuurder en VVD politicus het opkomend populisme vanuit een nog diepere bredere cultuuranalyse. Hij combineert ideeën van Griekse filosofen, cultuurfilosofen als Ortega y Gasset met zijn boek ‘De opstand van de massamens’ en C. Lefort over de werking van de democratie. Centraal echter staan de gedachten van Friedrich Nietzsche over waardeverlies en nihilisme. Hij maakt zich grote zorgen over het populisme en vooral het mechanisme dat andere politieke partijen zich door deze populistische politiek laten beïnvloeden. Op die manier vindt er naar zijn idee een verschuiving plaats met betrekking tot denken over democratie, leiderschap en omgaan met minderheden enz. Hij ziet daarin een glijdende schaal. De kabinetsformatie, de recente discussies over migratie en de aanpak hiervan zijn daarvan een voorbeeld. Als je door de partijdigheid van de schrijver, zijn soms droge en soms pamfletachtige schrijfstijl en vele herhalingen heen kunt kijken, biedt het boek zeker zinvol materiaal om zelf over door te denken. Schaap sluit aan bij de analyse van Paul van Tongeren over Nietzsche omdat deze hem het inzicht geeft dat in de derde fase van het nihilisme waarbij de wereld te maken krijgt met ontkenningen en surrogaten. In zijn beleving is het populisme zo’n surrogaat. Als God niet bestaat, is alles toegestaan. En tegelijk moet de mens ‘door die afwezigheid van God heen’ en gelukkig schrijft Nietzsche ook ‘Het nihilisme betekent niet het einde, maar juist het begin van de echte moraal’ .
Opnieuw vat ik niet het hele boek samen. Ik pik er een paar interessante inzichten uit. Allereerst geef ik een aantal kenmerken van het populisme. Daarna kijk ik naar vier kernwaarden van de Europese cultuur en hoe populisten volgens Schaap hiermee op de loop gaan. Belangrijk is ook de visie op de werking van de democratie in het denken van C. Lefort. De moderniteit zorgt voor een ‘substantieverlies’ en zorgt voor een ontbinding van de oude traditionele leefwereld op geestelijk en sociaal terrein. Populistische leiders vullen ‘de lege ruimte’ van de democratie in en zijn daarom ‘on-democratisch’. Ook dit is een belangrijk inzicht om te begrijpen waarom het populistische strijdpunt zoals het werken met referenda zo gevaarlijk is. En tenslotte kijk ik hoe Schaap de cultuuranalyse van Nietzsche en zijn voorspellingen over het nihilisme gebruikt om het functioneren van het populisme te analyseren.
- De populistische moraal-hypothese
Schaap geeft een serie kenmerken waar je populistisch denken aan kunt herkennen:
- er is een homogeen volk, dat is bedonderd door de elite.
- Onfortuinlijk is het volk omdat haar identiteit verloren dreigt te gaan. Gelukkig is er de belofte dat de verloren substantie kan worden herwonnen. Ons volk moet weer in oude glorie worden hersteld.
- Dat kan alleen door deze partij en deze leider.
- Kenmerkend voor het populisme is dat er aangesloten wordt bij een doorgeschoten mondigheid, misbruik of onjuist gebruik van vrijheid en het moraliseren van waarheid.
- Feiten zijn niet aan de orde. Ze bederven de zelf geschapen werkelijkheid. Dus wordt afgezien van weerlegging en volgt veroordeling van de brengers van de feiten.
- De hedendaagse populist verwerpt de historisch gegroeide bestaande wereld en haar waarden.
- De populistische partijen scheppen een eigen fictieve wereld, die van groep (boeren), volk en natie, gezegend met een in het verleden gewortelde authentieke identiteit.
- De verhalen en beelden die het volk van onfortuinlijken in troostrijke zin wordt voorgehouden, kunnen volgens Schaap wervend zijn, maar zijn in haar simpelheid kolderiek. Deze boodschap doet denken aan verwende kinderen die hun zin niet krijgen.
- Populisme nivelleert mensen en gaat uit van het gelijkheidsprincipe. Onder het mom van ‘wij zijn het volk’ (blank, christelijke wortels, oorspronkelijke bewoners van Nederland) wordt een bepaalde groep met hun maatschappelijke frustratie naar voren geschoven en streeft deze naar erkenning (boeren, allochtone Nederlanders, mensen buiten de randstad), maar in feite betekent dit overheersing van andere groepen (migranten, Moslims, vluchtelingen, transmensen). Je moet zus of zo zijn, anders hoor je er niet bij.
- Het wezenlijke van de rechtsstaat echter is dat sprake is van gelijkheid voor de wet. Onder die legale gelijkheid mag juist iedereen verschillen en voor zijn identiteit, mening, stijl uitkomen en zichzelf organiseren.
De grote lijn van het betoog van het boek is dat in de loop van de twintigste eeuw, volgens Schaap, de grote stromingen van het communisme en nationaal-socialisme geprobeerd hebben, het gat dat ontstond door het wegvallen van de christelijke waardehypothese, op te vullen. De geschiedenis leert echter dat beide visies geen afdoend antwoord bleken te hebben op de vragen die zo bloot kwamen te liggen. De stroming van het populisme demonstreert de wanhopige reactie van mensen om met het verlies van ‘substantie’ om te gaan. Het is opnieuw een uiting van hoe we als mensen worstelen met de vragen die door de moderniteit zijn ontstaan. De reactie van de mens op dit ‘niets’ – het ontbreken van substantie – is ofwel contemplatief, activistisch of destructief. Het populisme is zowel activistisch als onmachtig en destructief. (het bouwt niet op, geeft nauwelijks betekenis, vernieuwd geen waarden.) De populisten zoeken waarden in een verloren vergane wereld die moet worden hervonden, zodat het zinvolle leven toch kan worden aangereikt. Dit reactionair teruggrijpen noemt Nietzsche nihilistisch. Maar naast deze passieve gedaante is er ook een reactief activistische gedaante zichtbaar in het populisme. Hij noemt deze insteek ‘leugenachtig’. Zij kan niet met de waarheid omgaan en moraliseert de waarheid. Een hard ervaren feitelijke realiteit wordt ontlopen en men plaatst er een gemoraliseerde fictie tegenover. Ten tweede is het populisme niet in staat om waarde-scheppend en creatief met de historische werkelijkheid om te gaan. De leiders echter weten in ieder geval beter dan anderen waar het naar toe moet met de samenleving. Dat noemt Schaap in navolging van Nietzsche leugenachtig. Feiten worden ontkend, de verantwoordelijkheid voor de samenleving en haar ordening wordt ontlopen in morele zin. Deze partijen houden vast aan een eigen moraalhypothese. Het ideologisch populisme heeft op de plaats van God een vals toekomstideaal geplaatst.
2. Waardendestructie
In hoofdstuk 5 behandelt Schaap vier kernwaarden van de westerse traditie, maar laat hij tegelijkertijd zien hoe het populisme juist morrelt aan de betekenis van deze kernwaarden en deze naar haar eigen hand zet. Denk aan de wijze waarop Trump omgaat met waarheid. Volgens Schaap voltrekt de populistische afbraak van waarden zich sluipend en dat maakt haar zo gevaarlijk. De vier waarden zijn: mondigheid, vrijheid, waarheid/waarachtigheid en morele oprechtheid. Zijn onderzoeksvraag is hier: Welke waarden staan er op het spel en hoe probeert het populistisch gedachtegoed de kernwaarden onderuit te halen.
1. Mondigheid.
Over het algemeen vinden we mondigheid een positief begrip. Het heeft betrekking op emancipatie en vrijheid. Denk aan bevrijding van slavernij, of vrouwenemancipatie. Door mondigheid heeft de mens zich kunnen ontworstelen aan verstikkende en onderdrukkende verbanden. Toch is er volgens Schaap ook een keerzijde van mondigheid. Nl. als mensen doorslaan, radicaliseren of grenzen overschrijden door overmoed. Mondigheid komt het beste tot zijn recht als er ook een tegenkracht is die ontsporingen voorkomt. Mondigheid is gediend met een bepaalde matigheid en zelfbeheersing. Deze is bijvoorbeeld te vinden in het mechanisme van schaamte en zelfkennis of zelfinzicht. Het gaat daarbij om inzicht in de menselijke natuur als het gaat om driften, verlangens, behoeften en hartstochten zoals woede, haat, ressentiment of wraakzucht. Door schaamte te kunnen voelen en de eigen hartstochten en driften te kennen wordt de mondigheid van de mens begrensd. Het gaat om een goed evenwicht tussen spreken en luisteren, van je laten horen en bij jezelf komen. Een evenwicht tussen bevrijding, individualisering en mondigheid aan de ene kant en gemeenschapszin, beheersing, matiging en evenwicht aan de andere kant.
Hoe gebruikt of misbruikt het populisme deze waarde van mondigheid volgens Schaap? Het populisme misbruikt de verworvenheden van de mondigheid en emancipatie. Mensen spreken zich uit op twitter en verheffen hun stem, luidkeels en ongeremd. Maar volgens Schaap zoekt de beweging geen consensus in de vrije dialoog of het debat. Er is geen wederzijdsheid. De ander dient te luisteren, maar de populist luistert zelf niet. De insteek is cynisch, mateloos en schaamteloos en naarmate deze stem sterker wordt dreigt ze te ontaarden in een blinde massa. Schaap besteedt veel aandacht aan de positie van de leider binnen het populisme en zijn narcistische trekken. De narcistische leider wil populair zijn omdat hij wel moet. Hij zoekt in zijn leiderschap de bevestiging van zijn zelfbeeld. De ‘zelfverliefdheid’ van de leider vereist dat storende beelden weg moeten vallen en tot zwijgen gebracht. In termen van Freud wordt dit grootheidswaan genoemd. Wat begint als een verlichte mondige waarde van kwetsbare burgers (deplorabels) eindigt in een eenzijdige relatie. De leider luistert niet, heeft geen respect voor de leden en wil alleen maar bevestiging.
2. Vrijheid
Deze waarde is sterk gekoppeld aan mondigheid. Vrijheid van meningsuiting is een beschermwaardig grondrecht. Net als vrijheid van godsdienst, vereniging en vergadering. In de mening van Schaap vallen rechten en vrijheden onder het gelijkheidsbeginsel . Hij schrijft:
‘Elk vrijheidsrecht weerspiegelt zich dan ook in een plicht: deze ruimte ook de ander te laten. Dit beginsel mag rechtsstatelijk worden geborgd en gehandhaafd, maar kan het niet stellen zonder het gezag van de wet en de morele erkenning daarvan. Zonder zo’n innerlijke en morele kern wordt handhaving puur repressief. Macht kan het gezag niet vervangen. Zonder algemene erkenning is er geen sprake van een levend rechtsbeginsel. Daarom moet een rechtsbeginsel ook de werking hebben van een verinnerlijkte waarde’. p.116
Dit citaat geeft een goed beeld van wat Schaap wil benadrukken. Juist in het recht wordt de gelijkheid voor de wet van mensen als fundamentele waarde vastgelegd. Het vrijheidsrecht is hiermee verbonden. Juist op die manier mogen mensen verschillen in eigenschappen en opvattingen. Het recht op verscheidenheid bevrijdt de mens en geeft hem de mogelijkheid te zijn zoals hij wil. Dit principe werkt door in het functioneren van de democratie. Het beginsel van de fundamentele ongelijkheid van mensen is hierin verankerd. Een veelheid van groeperingen, belangen en opvattingen (=ongelijken) mogen zich ‘gelijk’ mengen in het politieke gewoel. Daarnaast wordt daarbij aanvaard dat deze groepen, meningen een geschiedenis (historiciteit) hebben die zich open vouwt naar de toekomst. Cruciaal is daarbij dat het geactualiseerd evenwicht in het politieke debat geaccepteerd wordt en met gezag aanvaard. Hoe morrelt het populisme aan deze uitgangspunten?
Vrijheid van meningsuiting is allereerst een beschermingsrecht. Het biedt mensen en groepen het recht zich uit te spreken en het vraagt van anderen de tolerantie dat andere mensen zich uit spreken. Tolerantie is het verdragen van wat eigenlijk onwelgevallig is. Zij die moeten luisteren dienen te leren verdragen. Maar ook degene die zich uitspreekt moet begrijpen dat een uitspraak voor de ander onwelgevallig kan zijn. Vrijheid van meningsuiting vraagt dus om matigheid en besef van ‘betrekkelijkheid’ dat wil zeggen het besef dat we als mensen met elkaar in betrekking staan. ‘Zender en ontvanger moeten vrijheid en zelfbeheersing bijeenbrengen. Dat vormt het fundament van een vrije, tolerante en democratische rechtsstaat.
Er is een ‘positieve’ interpretatie (zie Isaia Berlin) van het recht op vrije meningsuiting. Dan is sprake van een grotere uitingsruimte, een ongelimiteerd recht om eigen opvattingen naar voren te brengen. Volgens Schaap een vorm van zendingsdrift en op provocatie gericht. In deze vorm van vrije meningsuiting wordt de matigheid en zelfbeperking opzij geschoven en verdwijnt de wederkerigheid tussen mensen. Het laatste is te zien bij het populisme die niet tolerant is ten opzichte van mensen die ‘anders’ zijn of denken. In een pluriforme samenleving is tolerantie een voorwaarde voor een evenwichtige orde. Echter als een meerderheid een minderheid provoceert dan wordt deze orde op de proef gesteld. Als bij de populistische partijen de open dialoog gemeden wordt, ligt het accent op de bescherming van de eigen mening en ontbreekt een verzoenrijke houding van tolerantie en ligt het accent op het zend-recht van het eigen gelijk. Zo wordt het beginsel van gelijkheid en het recht om ‘anders’ te zijn voor de wet aangetast.
Als populisten communiceren gaat dit via sociale media en de nadruk ligt op de eigen boodschap (zenddrift) : het eigen land, volk en eigen leider. Daarbuiten loert de vijandige wereld. De bestaande media (journalisten) wordt daarbij geminacht. Opnieuw ziet Schaap hierin narcistische trekken. Het spreken verabsoluteert zich en maakt zich los van het luisteren. De nadruk ligt op de eigen echo. De vraag is wanneer het ontkennen van de grote diversiteit aan groepen en meningen die om debat vraagt over gaat in echte bedreiging van de democratie. In dit kader valt te denken dat de PVV de Nederlandse NPO wil afschaffen. ‘Het volk’ is een miskenning van ‘de bevolking’. Het populisme neigt naar despotisme door mening absolutisme. De vrije meningsuiting geldt slechts de eigen mening. Van daaruit is de stap naar intimidatie en marginaliseren van de tegenstanders niet zo groot.
Hier komt Schaap bij het woord verleiding uit de titel van zijn boek. Het gaat er om dat het volk iets wordt geboden dat aanvoelt als verlossing. De boodschap die wordt geboden is het redden van de natie. Daarvoor is het nodig om de pluriformiteit van de samenleving te ontkennen en daarmee de noodzaak van debat. Zo wordt de ‘lege plaats’ (zie paragraaf 3) in het politieke spel ingevuld en wordt het onderscheid tussen politiek en staat/ het democratisch model opgeheven. Schaap noemt dit politisering van de macht. Dit is een wankele situatie want als de onbepaaldheid van het politieke systeem de mens te veel wordt – denk aan de gele hesjes beweging in Frankrijk – wordt het populisme kansrijk. Hier waarschuwt Schaap voor de glijdende schaal. Ook conventionele partijen experimenteren met vormen van directe democratie zoals het instellen van referenda, met wisselend succes (Oekraïne referendum), dan wel dat er grote problemen door ontstaan (grote verdeeld onder burgers in Engeland over Brexit).
3. Waarheid en waarachtigheid
Als eerste is het interessant dat Schaap de begrippen waarheid en waarachtigheid gebruikt. Ze lijken elkaar aan te vullen. Opvallend is hoe populisten omgaan met waarheid en waarheidsvinding. Hun basispositie lijkt eerder te zijn om met scepsis, vooringenomenheid, verbeelding of zelfs leugenachtig naar dingen te kijken. Dit staat volgens Schaap haaks op het verlichtingsdenken en de basiswaarde van het christendom n.l. waarachtigheid. In het populistische vertoog gaat het niet om het weerleggen van wetenschappelijke kennis. Wat men wel doet is dat feiten ontkent worden, bronnen verdacht gemaakt net zoals wetenschappers en journalisten. De ontkenning en leugens ontwikkelen zich tot propaganda. Wat er in essentie gebeurt is dat het idee van wat waar is gemoraliseerd wordt. Dit gebeurt doordat het thema van waarheid of onwaarheid gemengd wordt met het oordeel van goed en kwaad. Op die manier wordt iets wat waar is niet gekoppeld aan feitelijkheid, maar aan de vraag of iets wenselijk of onwenselijk is. Bovendien wordt het oordeel gekoppeld aan personen. Als journalisten met feiten komen kan het niet waar zijn, mag het niet waar zijn, wat zij zijn de ‘kwaden’. En wij de eigen groep zijn de ‘goeden’.
4. Morele oprechtheid.
Als vierde Europese kernwaarde werkt Schaap het begrip morele oprechtheid uit. Het was Kant die de kentheoretische vraag: Wat kan ik weten? verbond met de morele vraag: Wat moet ik doen? En met de metafysische vraag: Wat mag ik hopen? Met name de morele vraag geeft inhoud aan de verbondenheid van mensen en daarom moet het antwoord op morele vragen een gezamenlijkheid bevatten. De vraag naar waarheid en naar moreel handelen zijn met elkaar verbonden en vragen om een onderlinge vertrouwensbasis. Dit maakt het belang van morele oprechtheid zo belangrijk. Zonder vertrouwen is er geen rechtsstaat, geen democratie. Op deze vertrouwensbasis berust de moraal, het gezamenlijk zoeken naar wat goed wordt geacht. Nietzsche waarschuwde voor een situatie waar er door het ontbreken van een Goddelijke referentie of het gezag van een koning niets meer waar is en daarmee alles is toegestaan. Door de insteek van het populisme wordt de kernwaarde van de moraal aangetast, dwz, de waarde van vertrouwen, integriteit, oprechtheid in het omgaan met de medemens. Het kan gezien worden als een werkelijkheid worden van het nihilisme zoals Nietzsche voorzag. In deze paragraaf begint Schaap op basis van de Griekse filosofen en het Scheppingsverhaal met een uitleg van de twee begrippen.
- Moraliteit: Dit begrip gaat om het onderscheid kunnen maken tussen goed en kwaad.
- Oprechtheid: Het scheppingsverhaal beschrijft daden die verwijzen naar de vrijheidsruimte van Gods wil. God neemt de ruimte om te scheppen, en hij verantwoordt zijn daad in morele termen als er staat: En hij zag dat het goed was. Het woord oprechtheid betekent bij Schaap: wil en handelen (hier van God) hebben een open eind. Het had ook anders, minder goed of slecht kunnen verlopen. De openheid die gevraagd wordt, duidt op het feit dat niemand, ook God niet, absoluut kan oordelen over wat goed is. Waarheid of wat goed is, is altijd betrekkelijk. De mens, net als God, bungelt boven een afgrond.
‘Hij is niet alwetend, niet almachtig en niet absoluut goed. In de betrekkelijkheid van de morele vraag kan ook hij het niet stellen zonder de waarde van de morele oprechtheid’. p.154.
In het scheppingsverhaal als de mens uit het paradijs wordt gezet is sprake van een zondeval. Hierin wordt de mens juist mens door het eten van de verboden vrucht. Met de zondeval maakt de mens zich de kennis van goed en kwaad eigen en met de verdrijving uit het paradijs wordt de voltooiing van de menswording afgerond. Vanaf dan is het aan de mens om met het onderscheidingsvermogen en de betrekkelijkheid om te gaan. Adam en eva schamen zich voor hun gedrag als ze God onder ogen moeten komen. Volgens Schaap is schaamte de deugd die morele oprechtheid moet ondersteunen. In het besef van schuld van het foute handelen is de mens toerekeningsvatbaar. Het is zijn eigen wilsbeschikking, zijn eigen daad en is daarmee verantwoordelijk voor wat hij denkt, wil en doet. Het scheppingsverhaal leert ook dat het in de menselijke natuur ingebakken zit om onoprecht te zijn en fout te handelen. En dit bederft altijd de verbondenheid van mensen, het gemeenschappelijk goede. Onoprechtheid treft de ander. De kern van het kwaad heeft altijd betrekking op de sociale dimensie, het bederf van samenleven met anderen. Onoprechtheid berooft de ander van een fundamentele waarde, die van de menselijke waardigheid.
Het mensbeeld dat je uit het scheppingsverhaal kunt lezen is dat de mens als laatste wordt geschapen en zo waarde toevoegt aan de natuur die van zichzelf geen eigen waarde heeft. Het is de mens die scheppend en verheffend met de natuur omgaat. De mens als Gods gelijke heeft eveneens de wil tot scheppen, maar heeft daarbij het vermogen deze wil in morele zin richting te geven en daar oprecht (dwz. openheid van de wil) mee om te gaan. Elk kind dat opgroeit leert om te gaan met de vrijheidsruimte van de wil in het handelen en in gezamenlijkheid met anderen morele keuzes te maken.
‘Het morele aspect van de wilsgerichtheid heeft een intermenselijke reikwijdte, is altijd op anderen betrokken.’ p.154
Schaap zet de houding van welwillendheid, oprechtheid en naastenliefde tegenover die van populisten. Daar ziet hij een houding van onoprechtheid, gewilde immoraliteit, een bewust zoeken van het kwade. Hun doel is andere waarden van kracht te laten worden, gericht op de eigen waardering van goed en kwaad. Dit ziet hij bijvoorbeeld in het ideologisch populisme (communisme en fascisme). Naast dat het waardestelsel van de tegenstander de oorlog wordt verklaard, wordt de ander van zijn waardigheid beroofd en vernederd. Het waardeconflict verplaatst zich naar de waardigheid van de ander. De ander wordt bewust en gewild gemoraliseerd en veroordeeld als iets kwaads.
In het hedendaags populisme ziet Schaap in de Alt right beweging uit de VS een strategie om de tegenstander van de eigen waardigheid te beroven. En daar is heel wat voor geoorloofd. De vrijheid van meningsuiting ontaard in de vrijheid om te belasteren en te vernederen. Volgens Schaap vindt er een verschuiving plaats doordat de waarde van morele oprechtheid verdwijnt uit het menselijk verkeer. Men is onverschillig ten aanzien van het onderscheid tussen goed en kwaad. Het is een uiting van boosaardigheid. Om mensen mee te krijgen in de morele onverschilligheid wordt ingezet op de gevoelens van onzekerheid, onvrede, onbehagen. De gevoelens worden aangewakkerd en gekanaliseerd. Men moet er in gaan geloven dat het ooit goede land en volk verraden is, geschiedenis geworden. De moraal krijgt een populistische herwaardering doordat goed en kwaad in een ander perspectief worden geplaatst. Een gemoraliseerd perspectief. En het begrip volk krijgt hierin een centrale rol. Dit wordt bedreigd door de open pluriforme wereld. Het goede van het volk tegen het veelkoppige kwaad. Zo wordt het eigen goede karakter van het volk bewaard. Moreel onderscheid wordt omgevormd in een existentieel onderscheid. Anders gezegd: Wat niet bij het volk hoort is slecht. Er is een kloof. Je hoort tot het goede volk en beantwoord aan het goede als je leeft overeenkomstig de daar geldende normaliteit. Maar in die normaliteit wordt het feitelijke en het normatieve in elkaar geschoven.
Het populisme radicaliseert op een verkeerde manier het postmodernistisch idee dat waarheid ‘geconstrueerd wordt’. Het laat zien wat zich voor kan doen als de mens niet meer om kan gaan met open verhoudingen, en de betrekkelijkheid van het bestaan. Het steeds opnieuw onderzoeken van de waarde van moraal en morele oprechtheid is juist dat het helpt om mensen de weg te laten vinden in de betrekkelijkheid van het bestaan. In dit ‘betrekkelijke’ van het leven worden volgens Schaap twee dimensies met elkaar verbonden: de verbondenheid met de medemens en de onderworpenheid van de mens aan tijd en historiciteit. Juist het besef van eindigheid van het leven geeft ‘het leven in het nu van mensen’ zin. Het besef dat generaties voor ons met dezelfde levensvragen gewerkt hebben en deze kennis aan ons doorgeven (Historiciteit) bied eveneens zingeving.
‘De mens moet het eindige en tevens open karakter van het bestaan als een waagstuk opvatten. Dat weerhoudt hem ervan zichzelf en alle entiteiten en verbanden waarin hij leeft als iets absoluuts te zien. De mens moet kunnen relativeren, hij moet het betrekkelijke van het bestaan waarderen’. p. 173
3. Lefort Lege plaats in de democratie.
Schaap zoekt naar achterliggende mechanismen in de moderne samenleving. Het open karakter van de moderniteit zou wel eens de vruchtbare bodem voor het populisme kunnen zijn. Hij spreekt over een reactief menstype, de mens die zich terugtrekt in het heden en bescherming zoekt in de massa van gelijken, het enkelvoudig wij. (p. 174) Schaap gebruikt het denken van C. Lefort die het eigene van de moderne samenleving typeert in de begrippen openheid en betrekkelijkheid, een sociale leefwereld met een open plaats voor de macht, de wet en het weten. In die open wereld wordt de mens geen vaste plaats meer aangereikt, een plaats in een bindend universum. Deze mens moet zijn plaats zelf zien te vinden in die open sociale omgeving. Een contingente situatie. Schaap stelt zich de vraag of deze nieuwe menselijke sociale conditie deze mens onzeker en bang maakt en dat dit de katalysator is van de opkomst van het populisme. We hebben volgens hem te maken met dieperliggende sociale processen die nauwelijks merkbaar inwerken op de samenleving, mentaal en sociaal. Een onderstroom die in het populisme naar boven komt. ( Hij gebruikt het beeld van een tsunami) Maar dit is naar zijn idee een gevolg van substantieverlies in de cultuur. ‘Het nieuwe dat zich aandient, brengt tot uitdrukking dat een oude, traditionele leefwereld in een geestelijke en sociale zin in ontbinding raakt, van binnenuit. Dit maakt velen onzeker, geeft hun een ontheemd gevoel’. Er is geen eenvoudige oplossing mogelijk omdat de onderstroom zo krachtig is. Het signaal dat het populistisch protest afgeeft brengt problemen naar boven die de samenlevingsorde raken. Het moderniseringsproces dat openheid, emancipatie, democratisering en individualisering heeft gebracht ging ten koste van traditionele vormen van verbondenheid van mensen. Dit verlies kan zich uiten in verlorenheid, onzekerheid of angst. Het beschermende van de oude orde is weggevallen.
De democratische rechtsstaat is een orde die de rechten en vrijheden institutioneel borgt, openheid biedt maar tevens verplicht, verbindt en beschermt. Hegel noemt dit de substantiële kern van de zedelijke institutionele orde. Als dit niet goed gebeurt ontaardt de vrijheid van individualisering en democratisering. Populisten voelen aan wat er onder de bevolking leeft. Ze verwoorden het onbehagen en politiseren het. (p. 178) Hun boosheid richt zich op de bestuurlijke elites die het volk verraden hebben. (toeslagenaffaire, gas-maatregelen Groningen) Ze pleiten voor het beschermen van de burgers en het wegnemen van zo veel mogelijk onzekerheden. En daarmee houden ze een pleidooi voor een krachtige bemoeienis van de staat en een inperking van de open samenleving. Een natiestaat met de nadruk op het eigen volk. (geen Europa, geen arbeidsmigratie) Populisten leven zich uit in beloftes die een antwoord moeten geven op de gevoelens van angst, onzekerheid en existentiële verlorenheid. Schaap spreekt hierbij van de paradox van populistische onmacht en illusies: de illusies van het meer van hetzelfde, zonder garanties dat de beloofde zekerheden nu wel binnen bereik komen. Het gaat om beelden, beloften en verwachtingen, eigenlijk geloofstellingen of geloof in een ideologie. Het is cynisch omdat het de bescherming van de kwetsbare burger suggereert, maar niet geeft. Het blijft een suggestie. De behoefte is vooral mentaal. Omdat bijvoorbeeld Wilders hun nood vertolkt gaan ze met hem mee. Gevraagd wordt een beschermende en verzorgende publieke omgeving. De frustraties zijn existentieel van aard. De moderne leefwereld is te open, te dynamisch en te bedreigend. Vooral vreemdelingen maken op directe wijze de eigen vervreemding zichtbaar en tastbaar. Vandaar de noodkreet, symptoom van een doorleefd substantieverlies. De verbondenheid die godsdienst, cultuur en instituties gaven zijn weggevallen door het proces van emancipatie, neoliberalisme en mondialisering.
De democratie en haar institutionele verbanden moeten door de burgers herkent worden wil ze kunnen functioneren. Haar basis is niet meer God of de macht van de koning, maar moet gedragen worden door waarden, regels en afspraken en burgerlijke verantwoordelijkheidszin. De open structuur van de huidige democratie heeft haar wortels in de Verlichting, een verlicht mensdom dat het gezag naar de mens zelf heeft verplaats. C. Lefort stelt daarbij dat ‘de macht een lege plaats’ is. Daarmee wordt bedoeld dat niet één groep of leider de totale macht heeft. In de lege ruimte wordt het ‘spel van de democratie’ gespeeld. Democratie betekent zo een gecompliceerd en open samenspel van groepen en hun belangen, een spel van luisteren en spreken, een bereidheid om in gezamenlijke interactie tot afstemming, compromissen en eenheid te komen en het resultaat gerespecteerd. Deze dynamiek moet worden erkend als een fundamentele waarde. De onbepaaldheid houdt in dat er in laatste instantie geen absolute zekerheden meer zijn. Dit staat tegenover de oude structuur van de macht van de vorst en gelegitimeerd door God. Deze machtsstructuur wordt gedesincorporeert. Het individu is niet langer een geïntegreerd deel van een vast, ordenend hem omsluitend en zingevend geheel. De samenleving is geen substantiële eenheid meer en ontwikkelt zich tot een dynamische verscheidenheid van belangen, meningen en overtuigingen. Het substantieverlies brengt wel een risico met zich mee. De onbepaaldheid, vrijheid en verscheidenheid biedt de moderne mens een zware uitdaging om de veranderlijkheid van het bestaan te verdragen. Het populisme en haar leiders springen in dit gat van onzekerheid. Ze pogen vullen ‘de lege plaats van de macht’ in met souverein leiderschap. Echter als ze niet in staat zijn om de toekomst vorm te geven, dreigt er een gevaarlijke situatie te ontstaan. Want in een samenleving zonder historiciteit is, volgens Schaap, een situatie van chaos, richtingloosheid en het afgrondelijke een reële bedreiging. Lefort laat zien dat de waarde van vrijheid in de democratie is gebaseerd op debat. Hij schrijft: Omdat het weten niemands exclusieve bezit is – het ontbreekt aan machtsmiddelen voor zo’n positie – leidt ook de waarheidsvraag tot een open discussie. Dit vraagt vrije gedachtewisseling, het vrijelijk zoeken naar en uitwisselen van feiten en het inzetten van argumentatieve kracht. p. 124.
Wezenlijk onderdeel van de democratische vrijheidsruimte is de onbepaaldheid of beweging in het debat, de vrijheid om verbindingen met anderen aan te gaan. Dit staat tegenover de totalitaire neiging van populisten die onder het mom van macht aan de meerderheid van het volk de ‘lege plaats’ van de democratie willen bezetten. Volgens Schaap excelleren populisten in het ontwijken, frustreren en bederven van het openbaar debat. De toon van het gesprek is hatelijk en vijandig in plaats van hoffelijk, ironisch en relativerend. Mede door de afname van lidmaatschappen moeten politieke partijen via de media hun achterban organiseren. De leidt tot nieuwe manieren van neerhalen van de tegenstanders d.m.v. schaamteloze leugens en verdachtmakingen. Ook het parlementair debat dreigt volgens hem van toon te veranderen van inhoudelijk naar het omlaag halen van de tegenstander
4. Nietzsche en het Waardenihilisme
Schaap heeft in de voorgaande hoofdstukken het populisme gefileerd als het gaat om de destructie van waarden en het populistische verlangen naar substantie in de democratie (Lefort). In hoofdstuk 5 maakt hij de balans op door het denken van Nietzsche over het nihilisme toe te passen op wat we zien gebeuren als het gaat om de opkomst van populistische partijen en haar gedachtegoed. Is het populisme een demonstratie van datgene wat Nietzsche voorspelde?
De moderniteit en het door Nietzsche benoemde waarde-nihilisme, levert volgens Schaap een maatschappelijke onderstroom op die steeds meer zichtbaar wordt. Een situatie waarin de fundamentele waarden in de maatschappij hun kwaliteit verliezen, met heftige reacties tot gevolg. Het begint in de 19e eeuw. In Nietzsches boek De vrolijke wetenschap vertelt hij over de dolle mens die de dood van God verkondigt. Met aangestoken lamplicht zoekt hij namelijk op een vol marktplein naar God. De ‘verlichte omstanders’, zowel door het lampenlicht als de tijdsgeest, drijven de spot met hem. God, zo verkondigen zij, is niet langer nodig. Wat Nietzsche hiermee laat zien is dat er dankzij de Verlichting een nieuw tijdperk aanbreekt, waarin het dan nog zeer christelijke Europa een nieuwe, goddeloze toekomst tegemoet gaat. Nietzsche noemt dit het Europees nihilisme. (Zie ook de bespreking van het boek van Paul van Tongeren over Nietzsche) Met het woord nihilisme wordt het begrip ‘niets’ bedoeld. Het slaat op het wegvallen van de Europese waarden en de waardering die mensen voor deze waarden hebben. Het zal een destructief effect hebben, maar dit is volgens Nietzsche een noodzakelijk (notwendig) gebeuren, een noodzakelijke wending. Het zal een uitermate ingrijpende, maar onontkoombare crisis in de westerse beschaving veroorzaken. Een proces dat volgens Nietzsche twee eeuwen gaat duren. Je kunt dit nihilistisch proces of fase zien als een noodzakelijke herwaardering van waarden omdat deze waarden de uitputting nabij zijn. Nietzsche stelt namelijk niet dat de waarden geen inhoud meer hebben, maar dat er een heroriëntatie nodig is om de kernwaarden van de cultuur van een nieuw fundament of een nieuwe zin-kern te voorzien.
Volgens Schaap beweegt het populisme mee met die waardecrisis en is er tegelijkertijd een symptoom van en een bekrachtiging. Deze culturele waardecrisis vraagt om een noodzakelijke zelfbezinning. Het is een fataal moment die niet eindigt in een niets, maar een die een wending of transformatie provoceert.
Nietzsche betitelt de situatie die hij zag als een crisis van het modernisme waarbij het houvast of het fundament van denken wegvalt en mensen onzeker achterlaat. De functie van het christendom was 1800 jaar lang om mensen een door God gegeven moraal voor te houden. Maar in zijn tijd (tussen 1850-1890) , zo zag hij, werkte die betekenisgeving niet meer. Schaap noemt dit de ‘christelijke moraalhypothese’, een geheel van opvattingen, regels en gedragingen die het leven van mensen structureren. Hoewel in de essentie goed, kon de christelijke leer het nihilistisch denken niet tegen houden. Het is goed om te beseffen dat de wortels van de christelijke leer voor een deel in de Griekse filosofie liggen en zich daarna verder ontwikkeld. Het kernidee was dat de wereld perfect geschapen is en het goede wordt de mens aangereikt door de Schepper. Zowel het fysieke als de menselijke kosmos. Ze zijn een afspiegeling van elkaar. Het substantiële is identiek met het goede. Waarde en zin zijn voorgegeven en hoeven slechts ontdekt te worden en in stand gehouden. De mens is daarbij de beheerder van de zinvolle orde als onderdeel van die kosmos. Het christelijke wereldbeeld en moraal die zich hier uit ontwikkelde legde accent op inzicht en waardering van de mens en zijn wereld en een duiding van het kwaad. Zo kon de mens leren ook het kwaad dat hem trof te verdragen en er mee om te gaan. Ook was er ruimte voor zoeken naar waarheid, en op waarheid gerichte kennisvergaring. In deze visie is deze christelijke moraal hypothese een middel tot zelfbehoud, want tegen praktisch en theoretisch nihilisme. Hij analyseert de christelijke moraalhypothese waarbij het vooral Paulus is, die op basis van de Joodse traditie en het Griekse denken, komt tot de belangrijkste christelijke principes die in de eeuwen daarna verder ontwikkeld worden en vastgelegd. Naast de nieuwe moraal van gelijkwaardigheid, naastenliefde en het idee van historiciteit. ( begin en eind van de geschiedenis) neemt het christendom het Griekse idee over van een substantieel, goede geordende wereld die voorgegeven is. (Zie Plato) Dit wordt met het idee van God verbonden. In die goede Goddelijke wereld krijgt de mens een eigen plaats. Niet alleen de mens wordt gezien, maar zoals genoemd krijgt bij God het kwade ook een eigen plaats. Deze substantieel goede wereld biedt veiligheid, troost, houvast, geeft een idee over omgaan met waarheid en oprechtheid en geeft richtlijnen voor moraal. Je kunt het zien als een veilige paraplu die de samenleving ordende. Je hebt allereerst God. Deze geeft vervolgens de koning (Soeverein) of de regering de macht. En dan als derde geven deze op hun beurt de inwoners hun eigen plaats. In de woorden van Nietzsche zelf:
‘(De) moraal (heeft) nu juist het leven van mensen en standen die door mensen werden verdrukt en vernederd, behoed voor wanhoop en de sprong in het niets: want het is onmacht tegenover mensen, niet de machteloosheid tegenover de natuur die de meest wanhopige verbittering jegens het bestaan oproept…De moraal behoedde de onfortuinlijken voor nihilisme door iedereen een oneindige waarde, een metafysische waarde tot te kennen…: zij leerde berusting, deemoed etc’.
En:
‘De christelijke moraalhypothese verleende de mens een absolute waarde, in tegenstelling tot zijn onbeduidendheid en toevalligheid in de stroom van het worden en vergaan. (Zij liet) aan de wereld ondanks alle lijden en kwaad het karakter van volmaaktheid (..) het kwaad leek betekenisvol. (Ze) ging ervan uit dat de mens over een weten omtrent absolute waarden beschikte en schonk hem zodoende juist ten aanzien van het belangrijkste adequate kennis. (Zij) verhoedde dat de mens zichzelf verachtte, dat hij tegen het leven stelling nam, dat hij aan het kennen zou gaan wanhopen: zij was een middel tot zelfbehoud – kortom: moraal was het grote tegenmiddel tegen het praktisch en theoretisch nihilisme.
De opkomst van de moderne wetenschappen en het onbevooroordeelde zicht op de feitelijke realiteit hebben de christelijke moraalhypothese ondermijnd en als onhoudbaar bewezen. De feitelijke en de morele wereld worden uit elkaar gehaald. De wereld is leeg en zonder bedoeling en het menselijk leven in zekere zin een tragiek. De fysieke kosmos ligt niet vast en is niet perfect. Ze is dynamisch, in beweging en open als het menselijke. Ook wordt duidelijk dat het de mens zelf is die betekenis geeft aan het doel van de schepping en niet God. Het is moeilijk voor de mens te begrijpen dat er geen bedoeling of universele waarheid is. De moderne mens is wantrouwiger tegenover zin in het kwaad en in het bestaan. Door de moraalhypothese van het christendom te ontkrachten is de mens niet alleen zijn absolute waarde ontnomen, maar eigenlijk ook zijn troost. Het kwaad kan niet meer gerechtvaardigd worden, waardoor er verbittering ontstaat over het aangedane kwaad. Met als gevolg een mogelijk nihilistisch oordeel over het leven. Het veilige ‘hemels baldakijn van betekenis’ dat mensen perspectief en troost gaf is ingestort en laat de mensen verweesd achter.
De God die is doodverklaard bood de mens een fundament, vaste grond, substantie, in traditie en geloof verankerde waarden. Dit alles bood mensen een zedelijk ingerichte samenleving. En van dit heiligste en machtigste heeft de mens afstand gedaan. Deze God komt niet meer terug. En dus zal de mens het zonder zo’n God, zonder vaste grond moeten redden. Het kan voelen of het evenwicht uit het bestaan is verdwenen omdat er geen vast en bindend centrum meer is. Het is voortaan aan de mens om zelf in de wereld te leggen wat eerder in substantiële zin voorgegeven was. Dit zal echter niet vanzelf gaan . Het is de vraag of de mens de leegte die zo veroorzaakt wordt aan kan.
Als niets meer nastrevenswaardig is, als mensen geen bedoeling of kern zien, kun je spreken over waarde-nihilisme. Nietzsche noemt de mens die zo leeft de Laatste mens. Dat wil zeggen de mens die gedreven wordt door materieel bezit, gericht op zoveel mogelijk ervaringen, de mens die volledig in beslag genomen wordt door z’n eigen natje en droogje en nergens door verontrust wil worden. Hij hoopt uiteindelijk dat een nihilistische crisis in de samenleving een therapeutisch effect heeft. Het mensbeeld dat hij er tegenover zet is het type mens die zelfstandig, vrij, creatief is. Die erkent dat hij een waarderend wezen is en zo zelf zin in het leven legt. Die z’n eigen doelen realiseert, die kan omgaan met de fataliteit van het leven en zich nog kan schamen als hij geconfronteerd wordt met z’n eigen imperfectie. Die zelf weet om te gaan met het probleem van het kwaad. Dit vraagt om een affirmatieve, betekenis gevende levenshouding en wilskracht. Hij noemt deze mens de ‘Ubermens’. Door deze twee mensbeelden te beschrijven spoort hij de mensen aan om het beste uit zichzelf naar boven te halen, om zichzelf te verwerkelijken, om een autonome, harmonieuze en tegelijk veelzijdige persoonlijkheid te ontwikkelen.
Dit alles is onvermijdelijk. We hebben ons door de geschiedenis heen aan waarden gehecht die niet zomaar van kracht kunnen blijven. De waarden zijn de uitputting nabij, de mensheid in crisis stort en ons allen dwingt tot zelfbezinning. We moeten volgens Nietzsche het nihilisme doorleven om er achter te komen wat eigenlijk de waarde van deze waarden is. De oude waarden zijn schijnbaar leeg en sleets geworden, ze werken niet meer. Hij vond dat de mens in het algemeen wantrouwig was geworden, cynisch en minder diepzinnig. Zijn laatste mens investeert in verzinsels en des-investeert in het waardescheppend vermogen van de mens. Dit voelt aan als een crisis en we moeten het uithouden en werken aan zelfbezinning .
5. Reflectie.
We hebben met plezier dit boek gelezen ondanks een aantal bemerkingen zoals genoemd in de inleiding. Enkele opmerkingen tot besluit.
- Schaap laat goed zien hoe de wisselwerking tussen de populistische leider en de kwetsbare burger verloopt. Naar het verlangen naar verbinding en oplossing wordt ‘echt geluisterd’ , een oplossing beloofd. Dat dit een illusie blijft en dat na een aantal jaar een nieuwe partij of leider gezocht wordt die de onvrede moet oplossen is tragisch voor deze burgers. In Nederland zien we dit bij de respectievelijke opkomst van Lijst Pim Fortuijn, Forum voor Democratie, BBB en nu PVV
- Toch is de recente opkomst van de PVV een alarmsignaal voor de institutionele democratische organen, maar ook de spanning tussen de bevoorrechte hoog opgeleide inwoners en de zeg maar praktisch opgeleiden. Ze hebben als taak om een bepaald ‘thuis’ voor mensen te bieden. (lees Paul Verhaeghe in zijn boek Onbehagen) en tegelijk met bewoners de ‘open plek’ van de democratie te oefenen. Het klassieke maatschappelijk middenveld heeft hier zeker ook een plaats in (kerken, vakbonden, wijkcentra, verenigingen) Het is daarbij belangrijk dat het ‘verkeren in bubbels’ voorkomen wordt. Schaap is als eerste Kamerlid voor de VVD niet ‘kleurloos’. Hij besteedt weinig aandacht aan het neo-liberalistisch gedachtegoed dat zijn partij de laatste 10 jaar heeft gekleurd en in hoeverre dit de onveiligheid en angst van veel bewoners heeft vergroot.
- Het frame van het ‘waarde-nihilisme’ uit het gedachtegoed van Nietzsche dat Schaap gebruikt is voor filosofen interessant maar ook complex en abstract. Het substantieverlies zou je ook als psychologisch begrip kunnen inzetten. Elk mens heeft een zekere mate van houvast nodig en zijn of haar blik is altijd gekleurd door eigen betekenisgeving. Dat steunt en ordent. Dat mag als er maar openheid blijft voor de frames van anderen.
- Op basis van het denken van Schaap is het belangrijk de ‘tragiek’ van de situatie te zien. Het gaat allereerst om goed te luisteren naar het ongenoegen. Tegelijkertijd is het zinnig mensen te confronteren met de consequenties van het gedachtegoed zoals Schaap doet met de vier kernwaarden van onze cultuur. Ook mag je zorg hebben over het ontbreken van ‘transcendente perspectieven’ voor onze onze en toekomstige generaties. Denk aan klimaat, klasse ongelijkheid, uitsluiting. We mogen niet meegaan met een ‘ wil een leuk leven, nu’. Deze dialoog is niet simpel en lijdt gemakkelijk tot polarisatie zoals in de VS zichtbaar is. Het onderzoeken van wat waardevol is – na de dood van God – is een steeds voortgaand proces. Democratie is niet iets alleen van politici maar van alle inwoners van dit land.
- Zie ook: Hoe populistisch taalgebruik racisme normaliseert.https://digitalekrant.trouw.nl/trouw/2217/article/2073270/1/1/render/?token=4911a144970d4c5ef64127aaab57442a&vl_platform=ios&vl_app_id=be.persgroep.trouw&vl_app_version=13.8.0
Ontdek meer van Filosofie lezen
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.















[…] We lazen eerder het boek De populistische verleiding, de keerzijde van de identiteitsillusie van Sybe Schaap. Hierin een verdere uitleg van het denken van C. Lefort over de noodzakelijke lege plaats in de democratie. Zie de link. […]
LikeLike
[…] We lazen eerder het boek De populistische verleiding, de keerzijde van de identiteitsillusie van Sybe Schaap. Hierin een verdere uitleg van het denken van C. Lefort over de noodzakelijke lege plaats in de democratie. Zie de link. […]
LikeLike