In dit boek onderzoekt Gabriel van den Brink de cultuur in Nederland van de afgelopen 40 jaar en de verschillende uitwerkingen van het neoliberalisme in ons denken en handelen. Een groot en complex begrip dat hij onderzoekt door de geschiedenis van het liberale denken te bekijken, de relatie met het economisch en bestuurlijk denken. Zijn insteek is zowel meer filosofisch als empirisch sociologisch. Hij gebruikt daarbij thema’s uit zijn leven en werkgeschiedenis. De groep waar we dit boek mee besproken was minder enthousiast over dit boek omdat het niet specifiek filosofisch is. Zelf bleef het thema me bezig houden en vind ik dat van den Brink een waardevolle bijdrage geeft aan wat Kim Putters het belang van een nieuw verband of sociaal contract tussen politiek, samenleving en bedrijfsleven noemt. Het ruw ontwaken waar van den Brink over schrijft gaat over het de opkomst van het vrijheidsdenken en tegelijk de complexe kanten van teveel aan vrijheid, ontbreken van gemeenschap en bescherming voor kwetsbare mensen. Hiervoor levert hij een aantal begrippen waar je als lezer, beleidsmaker of politicus mee verder kunt. Denk aan het vermeende geloof in New Public management en maakbaarheid. Zeker als je recente televisieprogramma’s over de kloof in de Nederlandse samenleving gezien hebt weet je wat de gevaren zijn als het evenwicht tussen individu en gemeenschap en tussen vrijheid en dwang uit balans is. Van den Brink eindigt met een pleidooi voor een middenweg die hij ziet en schetst in de contouren van een coöperatieaanpak. Als, analoog aan de gilden in de middeleeuwen, mensen in groepen en in vrijheid aan hun belangen werken, combineer je het beste van twee behoeften: vrijheid en verbondenheid.
In mijn tekst vind je geen samenvatting maar ik pak een aantal elementen uit het boek die me boeiden in vier paragrafen.
- Inleiding, verwarring en werkwijze
- Verschillende liberale denkers en hun ideeën.
- Maatschappelijke ontwikkelingen
- Een alternatieve weg. De coöperatie.
- Reflectie van Kim Putters die de inleiding bij het boek schreef en mijn eigen verwerking.
1. Waarom wij in verwarring zijn.
Na de val van de muur ontwikkelde zich nieuwe vergezichten. Vd Brink ziet op politiek vlak het idee van de liberale democratie, op economisch vlak het idee dat marktwerking alle problemen in de maatschappij kan oplossen, met een bescheidenere rol van de overheid. En het derde vergezicht die opkomt is op technisch vlak de mogelijkheden van de digitale revolutie. Deze verwachte revolutie ligt volgens van den Brink in duigen. Op politiek vlak loopt de democratie gevaar door populistische bewegingen en in veel landen zijn autocraten aan de macht. Economisch gezien gaf de kredietcrisis zorgen, maar ook de recente stikstofcrisis zorgt voor tegenslag. De klimaatverandering geeft tal van nieuwe grote problemen. Ook noemt hij de crisis op mentaal vlak. Veel mensen kampen met depressie en eenzaamheid. De digitale revolutie is niet alleen succesvol. Het zorgt ook voor fakenieuws, complot denken en mensen zitten gevangen in eigen denkbubbels. Je kan ook zeggen dat veel idealen wel gelukt zijn. Vd Brink vindt dat er een omweg nodig is om fundamentele vragen onder ogen te zien. Het gaat niet alleen om feiten, maar ook om de betekenis. Kortom een normatief oordeel die vraagt om filosofische reflectie. Dan denkt hij aan het volgende:
Welke feiten gebruiken we, hoe brengen we de samenhang aan tussen de feiten; welke houding nemen we aan. Dit hangt samen met de theorie, het mensbeeld of wereldbeschouwing die je hanteert en deze moet je vergelijken met andere vooronderstellingen en uitgangspunten.
In de visie van van den Brink heb je onderzoek en feitenmateriaal nodig, maar ook onderzoek van theoretische uitgangspunten. Hij is werkzaam geweest op beide terreinen. Betekenisvolle feiten en filosofische beschouwingen houden met elkaar verband. Gewone mensen hebben een andere visie op de realiteit dan leden van de maatschappelijke bovenlaag. Die waarden verschillen nog wel eens. De stelling van Vd Brink is dat de maatschappelijke realiteit het beste begrepen kan worden via een combinatie van sociaal en liberaal denken.
2. Liberalisme van droom naar daad.
Neoliberalisme is een veelgebruikt begrip, maar ook een soms te gemakkelijk containerbegrip. Je suggereert iets maar bent niet scherp. Van den Brink wil aan de hand van vier liberale denkers iets meer grip krijgen op het liberalisme.
1. Politiek liberalisme 17e eeuw.
John Locke.(1632-1704) Two Treatises of Government.(2-3) Bij Locke is vrijheid een soort van natuurtoestand. Het is een situatie waarin mensen aan geen enkele machthebber onderworpen zijn (vrijheid), waarin ze anderen evenmin aan zich mogen onderwerpen (gelijkheid) en waarin het samenleven op een redelijke wijze vorm krijgt. (natuurwet) Elke situatie waarin deze vooronderstellingen overtreden worden is sprake van een oorlogssituatie, die van de natuursituatie afwijkt. Als er sprake is van een situatie van vijandschap geven mensen hun natuurtoestand prijs om een politieke gemeenschap te vormen. Zo maken zij afspraken met het oog op een veilig, vreedzaam en aangenaam leven. Maar het is ook gericht op het in stand houden van het eigendom. (zowel materiele goederen als subjectieve rechten van de burger) Een politiek lichaam, waarin de meerderheid het recht heeft voor de overige te handelen en besluiten te nemen. Dit kan alleen als er 1. sprake is van wetten die breed worden ondersteund en het onderscheid tussen goed en kwaad in regels omzet. 2. Er een onpartijdige rechter is die bij geschillen over de regels kan optreden. 3. een macht is die de naleving van de regels en rechterlijke uitspraken kan afdwingen. Als mensen dus lid worden van een gemeenschap leggen ze de vrijheid die ze in de natuurtoestand hadden af en geven die in handen van de samenleving om zaken door de wetgevende macht zo te laten regelen zoals die in het belang van de samenleving zijn vereist. De wetgever moet dienstbaar zijn aan de vrede, de veiligheid en algemene belangen van het volk. Het uitoefenen van macht is aan regels onderhevig. En dan met name het vertrouwen van de burgers. De gemeenschap heeft de laatste stem en kan machthebbers en wetgevers weg sturen. De visie van Locke is revolutionair, omdat in zijn redenatie de politieke macht altijd voorwaardelijk en tijdelijk is. Als een volk/land verovert wordt door een machthebber is deze macht niet legitiem. Ook niet als de machthebber zich misdraagt, burgers verarmt of mensen aan willekeurige bevelen onderwerpt. Cruciaal is het vertrouwen van de burgers.
2. Economisch liberalisme
Adam Smith (1723-1790) schreef over moraal – ‘Elk mens heeft morele gevoelens en deze spelen in het politieke leven een grote rol’. En over economie In Wealth of Nations stelt hij dat de publieke zaak het best wordt gediend als economische actoren hun eigen belangen najagen. Hij is o.a. beïnvloedt door Voltaire. Net als Locke gaat hij er van uit dat economische waarde terug gaat op menselijke arbeid, maar hij voegt daar aan toe dat het gaat om doelmatige organisatie van die arbeid. Hij doelt dan op opdeling van werkzaamheden bij de productie. Toename van de nationale welvaart hangt af van het aantal arbeiders en de verhoging van de productiviteit. En dat lukt door machinale productie. Een andere voorwaarde is marktwerking zodat diensten en producten vrij uitgewisseld worden. Vrijhandel (onbelemmerde circulatie van goederen, arbeid en kapitaal) kan hongersnood en tekort voorkomen. Maar een belangrijke voorwaarde is daarbij wel de afwezigheid van wettelijke, sociale of politieke blokkades. In zijn boek ‘De welvaart van landen’ gaat het ook over de werking van de economie. De marktprijs van producten en diensten is afhankelijk van de verhouding tussen vraag en aanbod. De aanbieders concurreren zodat de marktprijs daalt en andersom. Smith beschreef dit mechanisme en komt tot de stelling dat dit het beste was voor het algemeen belang. Wie op de markt zijn private belangen behartigt, dient indirect de publieke zaak, al was het een onzichtbare hand. Een ander aspect is de doelmatigheid van kapitaal. De ondernemer kan zo zijn werkers voorzien van het nodige materiaal, machines en hij kan hen betalen voor het werk dat ze leveren. Door dit initiatief en het rendement wordt ook het land als geheel rijker. In het denken van Smith is de klasse van kooplieden, ondernemers en fabrikanten van beslissende betekenis. Het liberale denken van Smith krijgt zo economische betekenis. In zijn visie worden staatsbelangen het beste gediend als particuliere eigenaren hun eigen koers varen. Maar hij is tegen monopolie vorming, tarieven op producten uit het buitenland en protectionisme, omdat dit het algemeen belang schaadt. De arbeidsmarkt, binnenlandse markt en buitenlandse handel zijn gebaat met een vrije uitwisseling van goederen, arbeid en kapitaal. Inperking van het economisch leven zal altijd averechts uitpakken.
3. Cultureel liberalisme
John Stuart Mill (1806-1873) De bekendste publicatie van Mill is zijn essay On Liberty (1859) dat hier wordt besproken. Het eerste onderwerp gaat in op de vraag wat er gebeurt wanneer iedereen zijn eigen vrijheid maximaliseert. Het antwoord is genuanceerd. Als het gaat om het eigen lichaam en geest zijn mensen soeverein, maar in het sociale domein moeten de belangen van medeburgers worden ontzien en handelingen die schade berokkenen moeten worden gestraft. Het schadebeginsel houdt in dat mijn vrijheid door grenzen van morele en wettelijke aard wordt ingeperkt. Het gaat om een goed evenwicht tussen de vrijheid van het individu en de belangen van de gemeenschap. Het tweede onderwerp gaat om het compromis tussen sociale controle en individuele autonomie. De strijd tussen vrijheid en gezag tekent de geschiedenis. Denk aan het inperken van de macht van een heerser, wiens macht tijdelijk en voorwaardelijk zou moeten zijn. Mill vreesde in zijn tijd een proces van gelijkschakeling. Dit door het toegenomen welvaartspeil, betere communicatiemiddelen, onderwijs en het streven om lagere klassen te verheffen. Om die gelijkschakeling houdt Mill een sterk pleidooi voor de vrijheid van meningsuiting. In navolging van Mill geloven liberalen dat de mensheid het meest is gebaat bij een sociale orde waarin mensen hun eigen leven kunnen vormgeven. Dat is goed voor hen zelf, maar ook voor de maatschappij als geheel. Voor culturele bloei is het van belang dat de samenleving een brede verscheidenheid aan levenswijzen en karakters kent. Het individuele moet gekoesterd en beschermd worden. Dit zou de kern moeten zijn van beschaving, onderwijs, cultuur of opvoeding. De menselijke natuur is geen model of machine maar een boom die naar alle kanten moeten kunnen uitgroeien, uitbreiden en levend kunnen zijn. Dit alles leidt tot maatschappelijke pluriformiteit en een duurzame en veerkrachtige samenleving. Die variatie moet wel georganiseerd worden. Dit leidt in de 19e eeuw tot:
- Vrijheid van geweten. Dit is vrijheid van voelen en denken over alle onderwerpen.
- Vrijheid om activiteiten te organiseren waar een mens voor kiest. Ook activiteiten die een ander dwaas of verkeerd vind.
- Vrijheid van vergaderen. Dus ook vergaderingen die het gezag ongewelvallig zijn.
- Persvrijheid. Dit is de beste garantie tegen de nadelen van een corrupt of tiranniek bestuur.
Er zijn daarnaast krachtige personen nodig die tegen de hoofdstroom in kunnen gaan. Mill schrijft: Niemand kan een groot denker worden als hij niet inziet dat het als denker zijn eerste plicht is om zijn verstand te volgen tot elke conclusie waartoe het hem brengt’. Het is niet alleen een kwestie van verstand, maar ook tegenstellingen in zichzelf toelaten. Het huidige gevaar is niet een teveel maar een tekort aan persoonlijke ingevingen en voorkeuren. Mensen die dit doen zijn ‘het zout der aarde’. Geniale mensen zijn in de visie van Mill meer individu dan anderen.
d. Radicaal liberalisme in de 20e eeuw
Friedman, Nobelprijswinnaar in 1976, ziet zichzelf als erfgenaam van de liberale traditie. Liberaal in de zin van het maximaliseren van menselijke vrijheid en dan vooral gezien als individuele vrijheid. Hij is tegen nodeloze overheidsbemoeienis en machtsuitoefening door de staat en überhaupt tegen elke vorm van dwang die mensen op elkaar uit oefenen. Dit mondt uit in zijn visie dat er grote betekenis moet worden toegekend aan de markt. De basis voor economische vrijheid en daarmee samen hangende politieke vrijheid wordt het best gediend met kapitalistische concurrentie, waarbij de activiteit zich vooral via particuliere ondernemingen op een vrije markt voltrekt. Samenwerking wordt gezien als vrijwillig. Dat is de beste manier om in een samenleving met miljoenen mensen goederen en diensten uit te wisselen. En dit staat tegenover een samenleving op basis van bevel of dwang. In deze opvatting zijn gelijke rechten en kansen cruciaal, al betekent dit niet dat er ook gelijkheid in uitkomsten zou moeten zijn. Specifiek voor Friedman is dat hij onderzoek heeft gedaan naar overheidsbeleid. Op grond hiervan is hij van mening dat de overheid tal van regulerende taken afstoot en komt tot een breed programma van privatisering. Hij stelt dat marktpartijen beter zaken kunnen regelen dan een overheid die via een verzorgingsstaat het leven van mensen beschermt. Mensen moeten ondernemer van hun eigen leven worden. In zijn liberale visie is diversiteit van groot belang. Maatschappelijke en culturele verbeteringen zijn vaak het werk van geniale individuen, dwarse geesten en koppige minderheden. Daarnaast moet rekening gehouden worden met een grote diversiteit aan mensen, grote verschillen in persoonlijke voorkeur of smaak. Dit alles maakt dat hij pleit voor privatiseren van publieke diensten als sociale woningbouw, bejaardenzorg, sociale bijstand en onderwijs. Marktwerking zorgt voor een grotere variatie, lagere kosten en meer kwaliteit. Van den Brink stelt dat anders dan de andere liberalen, Friedman een eigen opvatting heeft over de rol van de staat. Omdat de marktwerking beter zaken kan aanpakken, moet de overheid vooral actief optreden bij het constitueren van een moderne markteconomie en verder geen andere functie nemen. Dit is wat anders dan het economisch proces op zijn beloop laten. p. 48. Van den Brink situeert de opkomst van het neoliberale denken in Nederland in het begin van de jaren ’80. Hij spreekt over een raadselachtige omslag in het klimaat. Een andere sfeer. De werkgever was geen uitbuiter meer, maar de nieuwe held. Het liberalistisch klimaat dat heerst was aantrekkelijk, omdat het aansloot bij de wil van mensen op dat moment om zich te bevrijden van onderdrukking, willekeur en tirannie. Juist de liberalen gaven maximale bewegingsvrijheid aan individuen in sociale, politieke, culturele en vooral economische zin. En dit speelde vooral in de Angelsaksische landen.
Na dit historisch voorwerk spreekt Van den Brink over een drieledige strategie die bewust is ingezet, waarmee de politieke klasse in het westen haar liberale droom heeft willen waarmaken. Hij noemt:
- De overheid heeft haar loyaliteit verlegd van de factor arbeid naar de factor kapitaal ( bedrijven en aandeelhouders) Motief was het bestrijden van de inflatie en dit gebeurde door afscheid te nemen van de keynesiaanse politiek en door het monetarisme te omarmen. Reagan en Thatcher wilden de invloed van de vakbonden beteugelen en inspelen op de belangen van het bedrijfsleven.
- Men ging marktwerking op tal van terreinen toepassen. Ook domeinen die traditioneel door de overheid werden aangestuurd. Het doel was privatisering, verlagen van de overheidsuitgaven of flexibilisering van de arbeidsmarkt. De macht van de overheid verminderde.
- Het functioneren van de staat werd bedrijfsmatiger. Allerlei diensten werden opgevat als product en was gericht op efficiëntie en meer klanttevredenheid.
Van den Brink ziet deze ontwikkeling als een vervolg op culturele veranderingen in de jaren ’60 zoals verzet tegen het gezag. Individuele bewegingsvrijheid en zelfontplooiing stonden centraal. Dit opkomen voor autonomie en ruimte voor diversiteit sloot goed aan bij het marktdenken. Een ander moment was het vallen van de Berlijnse Muur waardoor een proces van globalisering en een sterke groei van het internationale handelsverkeer ontstond. Tenslotte gaf de verbreding van de informatietechnologie en het proces van digitalisering van het leven een zet aan het neoliberalisme. Dit alles zorgde voor een merkwaardige mengeling van machtsuitoefening en marktwerking. Bijvoorbeeld in de aanpak van het New Public Management, een bestuursfilosofie die de woorden, waarden en werkwijzen van particuliere bedrijven op de publieke sector toepaste. Van publieke organisaties werd verwacht dat ze ondernemend gingen optreden om meer klantgericht te werken. Dit pakte vaak niet goed uit. Het leverde onderlinge competitie op, maar vaak niet de kwaliteitsverbetering die werd beoogd. De beoordeling ging vaak om kwantitatieve termen, maar deze cijfers zeiden weinig over of er wel of niet verantwoorde zorg, goed onderwijs of veiligheid werd geboden. Deze kritiek komt zowel uit marxistische als sociaal politieke hoek. Deze vorm van liberalisme impliceert een breuk met alle vormen van traditie of cultuur die maken dat mensen zich aan zaken die voor hen waardevol zijn vast houden. Het neoliberalisme is een oproep om zich van alle sociale, culturele of natuurlijke beperkingen te ontdoen teneinde heer en meester over het individuele bestaan te zijn. In het volgende deel gaat van den Brink onderzoeken hoe het neoliberalisme in de praktijk tot stand kwam en zich ontwikkelde.
3. Maatschappelijke ontwikkelingen laatste 40 jaar.
In het middendeel van het boek geeft hij veel data over tal van maatschappelijke ontwikkelingen van de afgelopen 40 jaar. Zelf noemt hij naast de voorgaande paragrafen:
- De bewegingsvrijheid van de Nederlandse burgers werd op verschillende vlakken groter. Er was sprake van een liberalisering van het privéleven van mensen. Dit kwam tot uiting in geringer aantal geboorten, groeiend aantal alleenstaanden, vrouwenemancipatie en grotere acceptatie van afwijkend seksueel gedrag. Meer mensen werken in deeltijd of hebben flexibele contracten. Op politiek gebied laten mensen de verzuiling achter zich wat merkbaar is aan de verkiezingsuitslagen die minder voorspelbaar worden. Op cultureel vlak trekken mensen zich minder aan van traditionele gezagsdragers en je ziet een grotere diversiteit als het gaat om denkbeelden en levenswijzen. En tenslotte neemt de ruimtelijke mobiliteit toe. Een groei van het aantal reiskilometers en vliegbewegingen.
- Het voordeel van deze meer ‘vloeibare samenleving’ is de hogere productiviteit, grotere deelname aan hoger onderwijs, gezondere leefstijl, grotere politieke interesse en de digitale revolutie. Kortom de liberalisering van Nederland had voordelen.
- Wel is er een andere kant van het verhaal. Van de Brink noemt ook ambivalente gevolgen: Mensen stellen zich meer assertief op en soms agressief; er is een hardere houding ten aanzien van mensen die problemen hebben, accepteren van de financiële kloof in het land, strenger asielbeleid. Hij vat dit samen door te stellen dat Nederland vrijer maar ook harder is geworden.
- Van den Brink stelt dat met name kwetsbare burgers zich verzetten tegen individuele zelfstandigheid en dat zij juist willen dat er een sterkere sociale en nationale gemeenschap is. De hogere meer opgeleide burgers kunnen beter uit de voeten met de vrijheden van het liberalisme. De klassieke liberalen staan argwanend tegenover sociale, morele en nationale gemeenschappen. Ze zijn afkerig van machtsuitoefening, streven naar individuele vrijheid en beschouwen morele waarden als een private aangelegenheid. Deze spanning vraagt om een nieuw mens en wereldbeeld.
- De mens kan niet alleen als autonoom individu gezien worden, maar ook als lid van een gemeenschap en dat morele beginselen een vast onderdeel zijn van gemeenschapsleven, wat ook weer invloed heeft op het punt van machtsuitoefening.
Hij gaat bij enkele filosofen langs om te zien hoe zij met deze kwesties en vragen om gaan.
- Aristoteles gaat er van uit dat de mens niet alleen een gemeenschapswezen is, dat de morele dimensie van het leven onontbeerlijk is en dat de staat er voor is om het gemeenschappelijke goede te bevorderen.
- Thomas van Aquino stelt dat de rede en de goddelijke wet met betrekking tot goed en kwaad op het zelfde uit komen.
- Rousseau lanceert het idee van een algemene wil waarin de soevereiniteit van het volk tot uiting komt en waar elke burger aan moet gehoorzamen.
- Marx zijn vooronderstelling is de klassenstrijd en gaat hij uit van een toekomstige situatie waarin morele, politieke en economische problemen overwonnen zijn.
- Tenslotte noemt hij de moderne biologen die laten zien dat de menselijke soort van nature geneigd is tot netwerken en samenwerking waarbij opnieuw moraliteit een belangrijk aspect is.
Samengevat kun je stellen dat mensen niet alleen als een zelfstandig individu zijn op te vatten, maar vooral ook als een gemeenschapswezen. Ten tweede erkennen deze denkers een normatieve factor, de vraag naar ‘goed samen leven’. En ten slotte dat dit denken zeer oude papieren heeft en in veel verschillende culturen terug te vinden is. Door te benadrukken dat mensen sociaal betrokken willen zijn, relativeert hij het atomaire individuele mensbeeld van de ‘homo economicus’ die verondersteld wordt in het neoliberale denken.
4. Een alternatieve weg. De coöperatie. Ziel van het Europese continent.
In het laatste hoofdstuk probeert van den Brink een nieuwe bestuursfilosofie te beschrijven die rekening houdt met twee uitdagingen die hij in de voorgaande hoofdstukken heeft opgespoord. Het eerste is het zoeken naar evenwicht tussen het uitoefenen van dwang en macht en het ruimte geven aan individuele vrijheid van mensen. Vrijheid is evident, maar tegelijk is in sommige situaties staatsmacht nodig. De tweede uitdaging is het vinden van een evenwicht tussen competitie en coöperatie aan de andere kant. Op basis van deze twee lijnen komt hij tot vier bestuursfilosofieën waarbij het de voorkeur heeft voor de coöperatieve werkwijze.
| Nadruk op competitie | Nadruk op coöperatie | |
| Uitoefenen van dwang | New Public Management | Klassiek socialisme |
| Vrijwilligheid voorop | Klassiek Liberalisme | Coöperatieve werkwijze |
De coöperatieve werkwijze heeft oude papieren. Van den Brink laat zien dat Johannes Althusius (1557-1638) de gedachte verwoordde dat de macht niet bij de vorst ligt, maar bij het volk. In navolging van Aristoteles ging hij uit van de gedachte dat de mens een sociaal wezen is die vanuit zichzelf relaties met anderen aangaat. Dat is een natuurgegeven. Wel is er onderscheid tussen automatische sociale verbanden als familie en gewilde gemeenschappen waar mensen mee instemmen op basis van vrijwilligheid. Dat is omdat ze dezelfde religieuze educatieve of commerciële doelen nastreven. Dit in de vorm van associaties of verenigingen. Je zou zo de samenleving kunnen zien als een geheel van associaties. De relatie met het idee van een bestuursfilosofie is dat Althusius politiek ziet als de kunst om onder mensen de voorwaarden te scheppen te ontwikkelen en te behouden die voor het samen leven noodzakelijk, wezenlijk en homogeen zijn. Anders gezegd: hoe kunnen we het samen leven behouden en bevorderen. Centraal begrip bij Althusius is subsidiariteit. Dit betekent dat een hogere macht niet mag ingrijpen of zich bemoeit met wat op een lager niveau wordt gedaan, tenzij deze hun taken onvoldoende uitvoeren. Deze werkwijze kent vier axioma’s:
- Elk persoon is verantwoordelijk voor zijn eigen handelen.
- Mensen zijn sociale wezens die naast natuurlijk het streven naar eigen belang een even natuurlijke behoefte hebben aan solidariteit
- Men moet de samenleving als een organisch geheel benaderen.
- Sociale relaties berusten op wederkerigheid en brengen wederzijds voordeel mee.
- Uiteindelijk komt aan het ‘gemeenschappelijk goede’ meer gewicht toe, dan aan particuliere belangen.
Dit subsidiariteit principe kreeg een nieuwe invulling eind 19e eeuw in de sociale leer van de katholieke kerk. Er werd geprobeerd een derde weg te vinden tussen liberalisme en socialisme. Ook in de protestante kerk sprak men op aangeven van Abraham Kuyper over het beginsel van soevereiniteit in eigen kring. Hoe belangrijk een overheid ook is ze mag zich niet inhoudelijk bemoeien met de wijze waarop actoren de doelen van hun eigen domein nastreven. Dit alles stond mede aan de basis van de verzuiling die Nederland kende aan het begin van de 20e eeuw. Van den Brink benadrukt dat zo door verenigingen maatschappelijke waarden worden gerealiseerd en dat in de bestuursfilosofie het beginsel van zelfstandigheid meer nadruk moet krijgen. Juist als burgers, bedrijven en beroepsgroepen op eigen beweging in actie komen ontwikkelt zich een samenleving van onderop. Juist in de gezonde middenweg tussen individualiteit en gemeenschappelijk belang is er toekomst te vinden.
Van den Brink situeert dit thema allereerst in het economisch denken dat zijn wortels heeft in het kloosterleven. Het waren de Franciscanen die nadachten over de aard van de marktdynamiek. De drie beginselen die zij formuleerden waren. a. arbeidsdeling. Je bereikt een hogere productie door specialisatie van taken en dit heeft ruilhandel tot gevolg. b. accumulatie of ontwikkeling. Het verzamelen van rijkdom wordt gezien als goed om zo onzekerheid weg te nemen, maar ook vanwege de verantwoordelijkheid voor latere generaties. c. vrije ondernemerschap. Men ziet het als goed als mensen zelf initiatief kunnen nemen en niet eerst toestemming moeten vragen aan gezagsdragers. Dit beginsel zorgt voor meer onderlinge concurrentie. Door deze uitgangspunten ontwikkelt zich een burgerlijke markt die in het teken staat van het gemeenschappelijk belang (bonum commune) en wederkerigheid. Dit alles maakt dat een koopman die zijn rijkdom inzet voor het gemeenschappelijk belang deugdzaam handelde. (Bernardinus van Siena 1138) Pas in de zestiende eeuw verandert de markt en wordt ze meer en meer kapitalistisch en verschuift de nadruk van aandacht voor het maatschappelijk belang naar het individuele profijt van de ondernemer. Dit wordt vervolgens door de protestante theologie gelegitimeerd. De hervorming impliceerde enerzijds een secularisering van het heilige (deïsme) en tegelijk het centraal stellen van individuele verantwoordelijkheid en het heiligen van het verrichten van arbeid. (Weber, Taylor) Van den Brink ziet de wisselwerking tussen religie en opkomst van kapitalistisch denken als het gevolg van cyclische ontwikkeling.
‘de expansie van bepaalde geestelijke kwaliteiten zoals ijver, betrouwbaarheid, zuinigheid en individuele zelfstandigheid enerzijds en economische tendensen als handel op lange afstand, arbeidsdeling, schaalvergroting, kapitaalbeheer en marktdynamiek anderzijds elkaar over en weer versterkten. De ontwikkeling van het kapitalisme berust dan op een lange reeks van cyclische processen die uiteindelijk maken dat de sociale orde in de negentiende eeuw wezenlijk verschilt van de orde in 16e en 17e eeuw. p. 273
Hoewel de nadruk op vrijheid en individualiteit in de 20e eeuw groter werd ziet van den Brink ook een herwaardering van gemeenschapsdenken. Hij erkent dat zaken als concurrentie, individueel belang, assertiviteit en marktwerking een productieve kant hebben, maar ze mogen niet te dominant worden. Een bestuursfilosofie van vrijwillig samenwerken, met meer nadruk op wederkerigheid, betrokkenheid en broederschap heeft goede papieren. Een reden is dat onze samenleving voor grote gezamenlijke vragen staat. Hij noemt daarbij vooral opwarming van het klimaat en de noodzaak om meer duurzaam het leven in te richten, sociale stabiliteit en mentale gezondheid. Hij zoekt naar een alternatief voor het neoliberale denkmodel waarbij de markt de dominante factor is en beschrijft in zijn coöperatie model een werkwijze die drie principes kent: a. zelfstandigheid b. saamhorigheid c. duurzaamheid. Deze coöperatieve werkwijze integreert ondernemerschap, gemeenschap en duurzame culturele en morele stabiliteit. In zijn coöperatieaanpak noemt hij het gildemodel uit de middeleeuwen dat is beschreven door Tine de Moor. De belangrijkste kenmerken zijn:
- Verminderen en spreiden van economisch risico en niet het behalen een zo hoog mogelijk inkomen. Zekerheid op langere termijn was belangrijk, waarbij een lager inkomen geaccepteerd werd.
- Bewaken van het kwaliteitsniveau. Nadruk lag op ambachtelijke standaarden. Het model meester, gezel en leerling was gericht op het handhaven en overdragen van kwaliteitsnormen.
- Regels. Niet zo zeer vastgelegd, maar meer in de vorm van collectieve normen en niet alleen technisch, maar ook sociaal en geestelijk van aard.
- Niet iedereen kon lid worden van het gilde. Er waren bepaalde criteria waar mensen zich aan verbonden. Sociaal, moreel en spiritueel.
Op deze manier konden deze gilden functioneren als verbonden groep die het collectief op langere termijn behartigde en kwaliteitsmaatstaven kon behartigen.
Aan het slot van zijn betoog spreekt van den Brink de hoop uit dat het westen een middenweg weet te vinden tussen het economisch dilemma van gemeenschap versus individu en dat ondernemerschap en gemeenschap elkaar de hand reiken. Grote nadruk ligt op de kracht van het maatschappelijk middenveld. Burgers die vrijwillig samenwerken. En ook de mentale spanning tussen intellectuele vernieuwing versus cultureel erfgoed moet werkzaam blijven. Duurzame vooruitgang vereist altijd een vorm van traditie. Kortom er is veel balans en evenwicht nodig om al deze spanningen uit te houden. Van den Brink ziet in het Europese denken aanknopingspunten voor een visie op de toekomst. Een juist midden tussen machtsuitoefening en zelfstandigheid. Dit hangt samen met het idee van subsidiariteit. Een hogere macht hoeft niet in te grijpen in dat wat een lagere groep in de organisatie zelf kan. Deze hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het functioneren. Ook denkt hij aan soevereiniteit in eigen kring. Zelfstandigheid van de eigen groep.
- Zoeken van het juiste midden tussen individueel en maatschappelijk belang. In de ordening van de maatschappij zou saamhorigheid meer voorop moeten staan.
- Een agenda van duurzaamheid: stabiele maatschappelijke verhoudingen, mentale stabiliteit.
- Samenwerking op basis van de uitgangspunten van het coöperatiedenken. D.w.z.. Meerdere mensen werken samen in een zelfstandige coöperatie, behartigen zo hun gezamenlijke belangen vormen een gezamenlijk bedrijf.
Kim putters
In het voorwoord van het boek stelt hij dat in de naoorlogse periode veel aandacht is uitgegaan naar het optimaliseren van individuele vrijheid om het leven in te richten zoals we willen. Maar ook de gelijke rechten van bevolkingsgroepen kreeg grote nadruk. Op beide terreinen zijn veel stappen gezet, maar hij stelt vervolgens de vraag: Wat delen we nog met elkaar? Is er nog ruimte voor tradities, maar ook de vraag hoe we met elkaar op een respectvolle wijze denken samen te leven. Volgens Putters geeft van den Brink in zijn boek een goede analyse van de oorzaken dat met name kwetsbare mensen een gevoel aan verbinding missen. Burgers werden vanaf de jaren 80 meer en meer beschouwd als klant van publieke voorzieningen die op basis van een contract met rechten en verplichtingen hun eigen verantwoordelijkheid moesten nemen. (p. 13.) Dit alles had als effect dat waarden als zorgzaamheid en betrokkenheid naar de achtergrond werden gedrukt, terwijl ze volgens Putters heel belangrijk zijn voor de ordening van de samenleving en het thuisgevoel. Juist het maatschappelijk middenveld van verenigingen, persoonlijke initiatieven en coöperaties hield lange tijd de overheid en de markt op afstand, maar door allerlei ontwikkelingen (welke?) . Raakt dit middenveld gefragmenteerd en wordt de rol van de overheid en de markt dominanter. Het beleid van de afgelopen jaren heeft de concurrentie en individuele rechten of verantwoordelijkheden steviger benadrukt tegenover de samenwerking en gedeelde verantwoordelijkheid. Zelfredzaamheid is het belangrijkste uitgangspunt van onze tijd geworden. Terwijl juist samenwerking, ondersteuning van kwetsbare groepen noodzakelijk en urgent zijn. Volgens Putters is er juist behoefte aan samenwerking en samenspraak tussen burgers, instellingen, bedrijven en overheden . Wat we nodig hebben is een doordenking van het samenlevingsmodel. (mensbeeld, rolverdeling overheid, markt en samenleving) richting van ons als samenleving richting toekomst. Een maatschappelijk model met daarin ruimte voor onderlinge betrokkenheid en zorgzaamheid en een politiek model van wederkerigheid en vertrouwen als startpunt. Nodig is een goed verband tussen politiek, samenleving en bedrijfsleven.
- Bedrijven: bijdragen aan collectieve voorzieningen en het maatschappelijk belang.
- Burgers: solidair met elkaar zijn en delen
- Politici: politieke samenwerking en compromisvorming als basis van de democratie.
Volgens Putters is het tijd voor een nieuw sociaal contract met wederkerigheid, solidariteit en verbinding als uitgangspunt.
Eigen verwerking
- Van den Brink laat goed zien dat er in de mens twee drijfveren terug te vinden zijn. Competitie, strijd aangaan en aan de andere kant empathie en de behoefte om voor anderen te zorgen en sociaal te zijn. Het is maar net welke aspecten in een bepaalde tijd voorrang krijgen.
- Zijn boek probeert de geschiedenis van het liberalisme serieus te nemen, omdat hij ziet dat – ook in zijn eigen leven, in deze tijd – dit een verworvenheid is, gewoon, maar hij durft er ook vraagtekens bij te stellen. Hij is niet meer de radicale socialist en marxist van wie hij was in zijn studententijd in Nijmegen. In zijn derde weg visioen van het coöperatisme probeert hij het liberale en sociale wereld en mensbeeld te verzoenen door de vraag naar het commune bonum te stellen. Het gemeenschappelijk goede. Dat is een verademing in een tijd dat alles draait om zelfredzaamheid, individueel belang, carrière, de grote nadruk op meritocratie. Zie: Tirannie van verdienste van Michael Sandel.
- Toch blijft een beetje hangen wat maakt dat de neoliberale zo’n weerklank heeft gehad op ons denken? Hij geeft zelf het voorbeeld dat in korte tijd een groot aantal abonnees van het linkse blad waar hij in de redactie zat (Te elfder ure) het lidmaatschap opzegde. Ik denk ook aan het grote aantal mensen dat er voor kiest / of werd gedwongen om als zzp er te werken of accepteert dat ze voortdurend tijdelijke contracten hebben. Ook de overheid werkt met een flexibele schil om zo te voorkomen dat men vast zit aan vaste contracten. Dit is bijvoorbeeld een gegeven bij de afdeling geestelijke verzorging van justitie. Nederland is in Europa het land met percentueel het meeste werkers met zo’n werkcontract. Wat zegt dit over de Nederlandse opvattingen over werk, werkzekerheid, vrijheid, je eigen broek ophouden?
- Ik sluit me aan bij Kim Putters als hij schrijft over de mensen die niet goed mee kunnen met de liberalisering van de maatschappij, mensen die de grote snelheid van nieuwe ideeën niet bij kunnen benen. Denk aan opvattingen over gender, globalisering, multiculturele samenleving. Van den Brink laat goed zien dat mensen behoefte hebben aan veiligheid en verbinding. Dat ze weten ergens aan te kunnen kloppen of recht op hebben. Een te geïndividualiseerde samenleving laat mensen in de steek, verwaarloosd mensen.
- Het boek biedt een herwaardering van het maatschappelijk middenveld, het initiatief van burgers. Gelukkig is Nederland gezegend met veel initiatieven, verenigingen en stichtingen. Maar ook zij bevinden zich in een neoliberale omgeving. Dit boek zet aan tot denken over de insteek van deze organisaties en de manier waarop zij voor mensen een gemeenschap en steun zijn. Dit aspect mag wel weer wat meer aandacht krijgen.
- Alles wat Putters, van den Brink en ikzelf schrijven kan bij bepaalde mensen overkomen als naief en niet realistisch. De vraag is of deze criticasters kunnen zien hoe belangrijk verbinding, accepteren van kwetsbaarheid en kracht van de gemeenschap kan zijn.
Overige bronnen.
- Interview Ad Verbrugge met de schrijver. Hier.
- Civis mundi Neo liberalisme en consumptie. https://www.civismundi.nl/index.php?p=artikel&aid=2635
- Civis mundi eigenzinnige liberalen. https://www.civismundi.nl/index.php?p=artikel&aid=2633
- Michael Sandel, Niet alles is te koop: de grenzen van de vrije markt, Ten Have, Utrecht: 2012.
- Gevonden in Cees Zweistra Waarheidzoekers. Er zijn volgens Michael Sandel twee belangrijke bezwaren in te brengen tegen marktdenken. Het eerste is wat hij het ‘eerlijkheidsargument’ noemt. Dat stelt de vraag aan de orde of er op de vrije markt inderdaad wel sprake is van een gelijkheid tussen de verschillende partijen die hun keuzes maken op de vrije markt. Met andere woorden of de vrije markt wel ‘eerlijk’ is. Een voorbeeld hiervan betreft de bezwaren die Zuboff inbrengt tegen de extreme machtsongelijkheid tussen consumenten in een data-economie en de producenten in de vorm van Big Tech. Het andere argument is het ‘corruptiebezwaar’, en dat richt zich tegen de wijze waarop de markt niet marktgericht gedrag zoals liefde, goedheid of gemeenschapszin verdringt of verdrijft.
Ontdek meer van Filosofie lezen
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.















