Jan Keij Kierkegaard anders gezien.

Kierkegaard

Kierkegaard is een 19e eeuws religieus denker en filosoof, maar hij staat ook aan de wieg van het existentialisme van Sartre  en het differentiedenken van filosofen als Levinas en Derrida.

Jan Keij biedt met dit boekje een eigenzinnige inleiding die hij in het laatste hoofdstuk ook toelicht. Hij geeft daarin toe dat hij Kierkegaard selectief, met zijn vragen in het achterhoofd, heeft gelezen en hij gaat er van uit dat de lezer dat opnieuw doet. Dit is een bepaalde hermeneutische aanpak van omgaan met teksten. Waar het hier om gaat is intertextualiteit. Derrida zegt het zo:

Jan Keij

‘Elke tekst is altijd ingebed in een context en die weer in andere contexten. Het gevolg daarvan is een intercontextualiteit waar niemand helemaal vat op heeft, en waar iedereen door een bepaalde accentlegging, door te associëren, door persoonlijke kennis en een geïncorporeerde traditie voortdurend gemodificeerde betekenissen uit kan halen en in kan leggen’. Keij p. 257

Kierkegaard schrijft zelf in  zijn boek Of/Of

‘De interessantste lectuur is die waarbij de lezer zelf in zekere mate productief is’. Keij. 10.

Keij verwijst in zijn verantwoording verder naar de joodse traditie waar al eeuwenlang teksten worden becommentarieerd, waarbij geen enkele interpretatie de definitieve is en minderheidsstandpunten worden gekoesterd. Het weefsel dat een tekst is, hangt weer met talrijke draden vast aan andere teksten. Op die manier worden nieuwe betekenislagen aan teksten ontfutseld en toegevoegd. Eigenlijk zeggen de rabbijnen daarmee dat de waarheid niet in de tekst te vinden is en feitelijk een zoektocht is zonder einde. Analoog is ook de filosofie een zoektocht die nooit tot een einde komt en Keij komt zo tot de opvatting dat wie meent de waarheid te hebben gevonden niet goed genoeg gezocht heeft.

Door zijn visie en aanpak te verhelderen weet de lezer dat dit niet het ‘definitieve’ boek over Kierkegaard is. Het is wel een lezing van de teksten van Kierkegaard als differentiedenker en als existentieel filosoof die mensen wil helpen met dagelijkse levensvragen rondom ‘hoe goed te leven’. Lastig is soms wel dat je niet weet wat de gedachten en verwerking van Keij is en wat de tekst of gedachte is van Kierkegaard zelf. Je moet daarom Keij, met bovenstaande in gedachten, willen vertrouwen.

Ik vat de belangrijkste thema’s uit het boekje samen.

  1. Dialectische denken
  2. Drie manieren van leven en kijken: esthetiek, ethiek en religie
  3. Het religieuze in het appèl

1. Dialectische denken

Kierkegaard werkt in zijn denken met paradoxen. Volgens hem is dat de sleutel tot waarheid. Hij schrijft ergens: Een denker die geen paradoxen kent, is als een minnaar zonder passie. Keij pakt in zijn boek dat werken met tegenstrijdigheden op. Dialectisch denken wordt onderscheiden van monisme (je denkt vanuit het een of het ander, bv. Ziel of lichaam) en dualisme ( het een is dominant over het ander, bv. Je bent in essentie geest en bijkomstig lichaam). De bekende zin van Socrates ‘ik weet dat ik niets weet’ is een voorbeeld van een dialectische uitspraak. Hoewel de inhoud tegenstrijdig is, maakt Socrates zo de betrekkelijkheid van het weten duidelijk.

Dialectiek is, zo schrijft Keij, wandelen over een hoog gespannen koord met een lange lat in je handen. Met aan de ene kant de these en aan de andere kant de antithese probeer je je evenwicht te bewaren en ontstaat een synthese. De dialectische logica staat tegenover de normale logica, waarmee we logisch en coherent dingen feitelijk beschrijven. Voor Hegel heeft deze manier om de werkelijkheid te beschrijven ook beperkingen. Het is te statisch, iets is wat het is, maar de wereld is in werkelijkheid dynamisch en laat tinten grijs zien. Het tweede bezwaar is dat het zo denken altijd uitsluit. Als iets warm, kan het niet tegelijkertijd koud zijn. De bewering is tegelijk de ontkenning van het tegendeel. Het midden van A en niet A (synthese en antithese) is de synthese. Eenvoudig gezegd: de waarheid ligt in het midden. Deze manier van logica bedrijven levert nieuw zicht op de wereld op, want zo wordt het statische ingeleverd voor het dynamische. De werkelijkheid ‘werkt’, is een werkwoord, een proces. Op deze manier kan ook de werkelijkheid die dynamisch is worden onthuld. Bij Hegel is dit proces van de ratio die zich beweegt richting de volkomen rationele werkelijkheid: de absolute geest: God. Zo is sprake van ontwikkeling en krijgt de geschiedenis een richting, evolutie en een bedoeling. Keij schrijft:

‘De ontwikkeling van de werkelijkheid is een dialectische, in de zin dat tegenstrijdigheid, die steeds overwonnen moet worden, de motor is van het proces. Er is de voortdurende spanningsrelatie van these tegenover antithese, een verschil dat wordt opgelost via de verzoening van deze strijd als tegenstrijdigheid in de synthese. Opnieuw is de synthese dan een these die een antithese vindt, etc. De ontwikkeling verloopt via positie en oppositie, ‘conflictueus. (..) These en antithese zijn bewaard, opgenomen als elementen of aspecten van een hogere eenheid, tot aan de laatste absolute eenheid die bij Hegel de absolute geest heet. Het worden veronderstelt dus ‘iets’ dat wordt. Dat ‘iets’ is de volkomen rationaliteit van de absolute geest: God. God is in de loop van het worden op weg zichzelf te worden. De geschiedenis van het worden is, zegt Hegel, de autobiografie van God’. Keij. 37-38

Het effect van dit denken van Hegel was het idee dat de geschiedenis zich ontwikkelt volgens vaststaande wetten die onontkoombaar naar een eindpunt leiden. Een wetmatigheid die historicisme genoemd wordt en die mede het denken van Marx beïnvloedt heeft toen hij schreef over klassenstrijd en de komst van een arbeidersparadijs. De praktische uitwerking hiervan in de geschiedenis kennen we. (Goelagarchipel) Door over geschiedenis te denken als een maakbaar systeem zal je gemakkelijk de behoeften van het individu over het hoofd zien of negeren. Sterker nog: het communisme elimineerde kritische inwoners simpelweg vanuit het idee van een maakbare ideale samenleving. Het was Kierkegaard die zich verzette tegen dit totaliteits denken, omdat de uniciteit van het individu als het ware opgeheven wordt. Hegel sprak over het ‘idee’ mens maar zag de unieke mens over het hoofd. In het denken van Hegel heeft de staat (de synthese van individu en het geheel) tegenover het individu ‘de waarheid’ in pacht, waarbij het individu als lid in de algemeenheid van de staat opgaat. Kierkegaard verzet zich tegen deze degradatie van het individu en daarmee tegen het idee van een synthese tussen individu en geheel. Hij vond het dialectisch denken prima als de verzoening en eenwording maar achterwege bleef.

Kierkegaard als differentiedenker

Differentie

Terwijl bij Hegel de eenheid voorop stond is in de dialectiek van Kierkegaard de differentie, de verhouding van tegengestelden dominant. Om tot dit inzicht te komen is Keij beïnvloedt door het denken van Emmanuel Levinas over ‘de ander’. In de relatie tot de ander is namelijk sprake van ‘verbondenheid’, maar tegelijk ook verschil. Je bent altijd verschillend van de ander, omdat je niet met die ander kunt samenvallen. Er is sprake van wederzijdse afhankelijkheid en tegelijk onafhankelijkheid. Deze relatie is de relatie als verschil. Maar ook de mens zelf is afhankelijk en onafhankelijk. Dit wordt veroorzaakt door de tijd. Het kind en de oudere zijn naast individu ook afhankelijk. Het leven is een beweging van worden en weer uitdoven. Het leven draagt de dood in zich mee. Zijn en niet meer zijn. In het mensbeeld dat Kierkegaard wil laten zien is de mens bijvoorbeeld zichzelf (these) maar tegelijk deel van de gemeenschap (antithese). Door de spanning die zo ontstaat is de mens individu (synthese). Kierkegaard schrijft: Het belangrijkst in een werkelijke gemeenschap is dat iedereen daarin enkeling durft te zijn. Keij p. 54

Doordat Kierkegaard in zijn denken de synthese niet voltrekt tussen mens en gemeenschap blijft er ruimte voor het individu om zichzelf te blijven en anders te denken dan anderen. Dit is het thema van existentie en de ontwikkeling van het zelf. Keij ontwikkelt een dialectisch basismodel om de ontwikkeling van het zelf te beschrijven. Ik geef de belangrijkste stappen weer.

THESE: A 
oneindigheid 
het eeuwige 
vrijheid 
ziel 
ANTITHESE: niet-A 
eindigheid 
het tijdelijke 
noodzaak 
lichaam 
'SYNTHESE' 
Verhouding (het negatieve derde) 
Zelf/Geest/ogenblik 
(verhouding tot de verhouding- 
het positieve derde) 
'GOD'
Basisschema van Keij
  1. Dialectische basisbegrippen These v.s. Antithese. Omdat situaties nooit zwart- wit zijn, maar altijd grijstinten vertonen, is er altijd een dialectische spanning tussen het eeuwige-het tijdelijke, vrijheid-noodzaak, ziel-lichaam, eindigheid-oneindigheid.
  2. Deze verhouding tussen these en antithese wordt de negatieve derde genoemd. Door dit bewust te zijn wordt deze spanning een positief derde. Dit door je de verhouding in jezelf bewust te zijn, sterker je bent de verhouding. Dit je bewust zijn wordt door Kierkegaard gezien als een ontwaken. Je bent geen kind meer dat mee gaat met de omgeving, maar je ontwikkelt je zelf, dit is Geest.
  3. In de visie van Kierkegaard is dit zelf niet alleen een verhouding, een zelf dat ontstaat door de dialectiek tussen these en antithese, maar ook doordat dit zelf geconstitueerd is door een externe macht, onbegrijpelijk en een mysterie: God. Keij is geen theoloog en heeft moeite om het woord God op te schrijven. Verder op in boek op basis van zijn analyse van Levinas en Derrida komt hier het woord Ander te staan.

Rol van de tijd.

Naast de dialectiek van begrippen voegt Kierkegaard een nieuw belangrijk element aan zijn denkwijze toe n.l. het begrip tijdelijkheid. Dit is het dubbelzinnige moment waarin de tijd en de eeuwigheid elkaar raken. De tegenwoordige tijd, de voorbijgegane tijd en de toekomstige tijd hangen met elkaar samen en worden gekoppeld aan de Geest, het zelf van de mens. Ogenblik en Geest worden door Kierkegaard gekoppeld. Dus wordt een beslissend element voor zijn visie op mens zijn, de mogelijkheid van transformatie en het beeld van God. Dit idee zullen we ook terug zien bij Derrida. Het begint met het schema:

————————————————————-[    ]—————————————————

Verleden    Ogenblik    toekomst

Het nu, of het ogenblik staat tussen verleden en toekomst in. Wat gebeurt er precies in dat ogenblik? Volgens Keij neemt het ogenblik a. deel aan de eeuwigheid in die zin dat ze op God gericht is. Het moment heeft een verbinding met een goddelijke kracht, een goddelijke inspiratie. b. en het ogenblik neemt deel aan de tijd. Het idee van eeuwigheid maakt de vergankelijkheid van het leven niet ongedaan. Het moment gaat voorbij. Het is er en gaat meteen ook weer weg. Dit verklaart ook mijn leven en sterfelijkheid. Het vergankelijke komt naar voren in het steeds opnieuw heden zijn, maar dan verouderd. Kortom eeuwigheid en oneindigheid komen in het ogenblik samen. Kierkegaard schrijft: Het ogenblik is een God in de tijd. Voorbijgaand en toch beslissend en vervuld van het eeuwige. De volheid van de tijd. Kortom het ogenblik, het nu, is een beslissend moment voor het zelf/Geest. Het leven gebeurt nu. En nu heb ik de vrijheid om keuzes te maken. Het moment is de gelegenheid en de kans om besluiten te nemen. In het ogenblik kijk ik terug op het verleden (wat was goed of niet goed) en ben ik gericht op de toekomst (wat kan ik beter doen, moet anders) Pas in het ogenblik begint de geschiedenis schrijft Kierkegaard en dan bedoelt hij de persoonlijke geschiedenis van het individu. Let op bij Kierkegaard is deze verhouding van tijd= ogenblik en eeuwigheid=God inhoudelijk geladen. God is absoluut anders dan ik ben en het ogenblik is duidelijk onderscheiden van de eeuwigheid. Beiden staan dialectisch tegenover elkaar en het verschil blijft in stand. De mens is tegelijk afhankelijk van God, maar de mens is ook vrij en autonoom. De verhouding tot God is er een van afhankelijkheid naast onafhankelijkheid. De mens is aldus een vat vol tegenstrijdigheden van vrijheid en noodzaak, eindigheid en oneindigheid, ziel en lichaam.

Hoe moeten we deze denklijn van Kierkegaard praktisch begrijpen?

Allereerst worden In het dialectisch denken de verschillen niet samengevoegd. De contradictie of dubbelzinnigheid wordt omarmd. Elk mens is tegelijk gebonden aan omstandigheden (omgeving, lichaam, grenzen) en tegelijk kunnen we in die omstandigheden ook kiezen. Elk ogenblik moet ik beslissen over wat ik kan en moet doen in de gegeven omstandigheden. Dit levert de levensvragen op: Wie ben ik? Wat vind ik belangrijk en kies ik voor? Waar richt ik me op in de toekomst. Kortom wat is mijn levensvisie (bestemming) en leefstijl (hartstocht)? Ten tweede is dat wat gebeurt in het ogenblik (constitutie) een gave van God. Mijn bestaan wordt mij geschonken, elk ogenblik nieuw. Het is een Geest of kracht die in het moment werkt. God als het eeuwige, absolute, geestelijke werkt als relatie in mij op het moment. Dat is een transformerend of transcendent moment in die zin dat tijd en duur overstegen worden. De normale gang van zaken wordt doorbroken, opgetild, vernieuwd. De vrijheid die wordt ervaren opent de deur naar het nieuwe en andere beslissingen. Deze ervaring van vrijheid in het ogenblik ‘gebeurt’, maar zodra je die vrijheid uitlegt wordt het weer rationeel en noodzaak. Het eeuwige, de goddelijke maatstaf werkt dialectisch openbrekend naar mij in het ogenblik als ik me laat raken en keuzes maak. Het verlangen om de maatstaf te verwezenlijken noemt Kierkegaard de subjectieve waarheid.

Subjectieve waarheid, angst voor de vrijheid.

Keij gebruikt veel woorden om uit te leggen hoe de ontwikkeling van het subject zich voltrekt, de eigen innerlijke identiteit. Ik pak de belangrijkste punten:

  • De hoofdvragen die Kierkegaard stelt zijn: Wat is mijn bestemming, wat moet ik doen, wat wil God dat ik doe, wat is voor mij waarheid, is er een idee waarvoor ik wil leven en sterven? De waarheid is subjectief als het gaat om het verwezenlijken van de eigen bestemming.
  • Kierkegaard schrijft: ‘De waarheid is niet als een circulaire, die men rondstuurt om handtekeningen te verzamelen, maar ligt in de innerlijke waarde van de innerlijkheid’. Keij p. 84
  • Keij wijst op een taalprobleem. Als ik het zelf wil beschrijven in begrippen lukt dat niet. Het bestaan, het leven en existeren gebeurt in het ogenblik, maar is tegelijk onbereikbaar voor het denken. Je kunt wel vooraf en achteraf denken, maar het ogenblik niet. Kierkegaard stelt dat in het ogenblik het verstand heeft afgedaan.
  • Als ik mezelf waarneem is er sprake van twee ikken. Een ik dat waarneemt en een ik dat waargenomen wordt. Een ik dat kijkt en een ik dat bekeken wordt. Een subject en een object die van elkaar gescheiden zijn. De zoektocht naar het ‘subject ik’ slaagt volgens Keij nooit. En net zoals ik geen grip heb op mijn zelf kan ik ook de ander niet kennen. Ik heb alleen maar beelden die hem verbeelden zonder dat die ander in zijn levende ogenblik waargenomen kan worden. Het subject ik zit in het heden terwijl het bewustzijn altijd vooruit of achteruit kijkt. Als ik mezelf de vraag stel wie ik ben vertel ik over mijn verleden en hoe ik mij ontwikkeld heb. En ik verwoord mijn toekomst en hoe ik me verder wil ontwikkelen. Het levende heden is echter het enige in de oneindige tijd wat vlees en bloed heeft en wat Kierkegaard de volheid van de tijd noemt. Het denken komt nooit bij het nu, nooit bij het ogenblik als zelf. Ook denkers als Levinas en Derrida benoemen dit als ze spreken over filosofie van de afwezigheid. Het ogenblik is altijd afwezig en ondenkbaar.
  • Existeren is worden. Het menselijk bestaan is een proces van steeds hernemen en kiezen. Maar daarbij is ook steeds sprake van een afgrond. Namelijk die tussen veiligheid van wat je kent en de onzekerheid over wat de toekomst je gaat brengen. Keij ontrafelt (of beter: vertraagt hier de denkstappen) door te kijken naar het wezenlijke van menswording. Kierkegaard gebruikt het verhaal van het vertrek van Adam uit het paradijs als narratief.
    1. Adam leeft naïef onbevangen in het paradijs. Er vindt nog geen reflectie plaats, alles is vanzelfsprekend. Dat dingen anders kunnen zijn komt niet in hem op. Het zelf/ de Geest is nog onwetend. Adam is zoals kinderen.
    2. Het verbod op het eten van de boom van kennis van goed en kwaad wekt bij Adam angst. Die angst is het besef de mogelijkheid te hebben te kunnen kiezen. Bewust worden wil zeggen: de geest wordt door de angst langzaam wakker. Je kunt het zien als een ik-splitsing. Adam wordt zich bewust van Adam. Het vermogen stil te staan bij jezelf. De ontdekking van zelfreflectie. Dit is de overgang van kind zijn naar volwassenheid.
    3. De angst die dit oproept is het besef van de vrijheid als mogelijkheid. Beter: vrijheid maakt het mogelijk dat iets mogelijk wordt wat nog niet is. Met de keus komt de onbepaaldheid in het vizier. Het niets van de onbepaaldheid en het niets van het nog niet verwerkelijkte.
    4. De situatie van Adam staat voor de menselijke conditie. We hebben angst voor het verwerkelijken of niet verwerkelijken van onze toekomst omdat we deze niet volledig kunnen overzien. Het is spannend en angstig tegelijk. Elke keuze is tegelijk de afsluiting van andere keuzes. Ja zeggen is nee zeggen tegen het andere. Angst voor de vrijheid is zo angst voor de keuze die bepalend is, ook in de zin van beperkend.
    5. Door de ervaring van de angst wordt ik me bewust van mezelf. Het is een ontwaken, in die zin dat ik me bewust wordt van het feit dat ik een verhouding ben die zich tot zichzelf verhoudt. En dat die verhouding me vrijheid leert. Keij schrijft: ‘Maar geleidelijk aan ontwaakt de geest. Daardoor ga ik beseffen dat ik een onbepaaldheid ben die zichzelf in zijn bestaan moet gaan bepalen. Ik ga de verhouding tot mijzelf begrijpen dat ik mijn bestaan moet organiseren, ordenen, continuïteit geven: een doorgaande, consistente lijn. Ik ga begrijpen dat ik mijn toekomst voor mezelf moet ontwerpen’. Keij p. 108

De dialectische keuze tussen gedetermineerd zijn en pure vrijheid verklaart waarom existeren zo wankel en complex is. Niet kiezen omdat de keuze duizelingwekkend is, wordt door Kierkgaard de zondeval genoemd. De mens zondigt tegen de vrijheid en de eigen aard van mens zijn. Een ontkenning van mijn wezen als mens en in het denken van Kierkegaard ook een zondigen jegens God omdat de relatie met God de uiteindelijke bestemming van mij als mens is.

2. Zelfreflectie. Drie manieren van leven en kijken: esthetiek, ethiek en religie

Het esthetische, ethische en religieuze niveau zijn levenswijzen of manieren van existeren en manieren om in de wereld te staan. Ieder mens geeft in zijn leefstijl gestalte aan een verhouding tussen deze drie manieren. In de visie van Kierkegaard is er groei mogelijk van het esthetische, via het ethische naar een religieus verstaan van het leven zonder de vorige stadia te negeren. Die groei gaat niet vanzelf. In elk stadium behalve de laatste kan het gebeuren dat je op een grens stuit, een existentiële crisis die je aanzet tot ontwikkeling, maar dat gaat alleen via tegenstrijd en conflict. Kierkegaard biedt zo een model aan voor zelfreflectie. Een hulpmiddel om je zelf aan te spiegelen en een leidraad om je op te richten. Volgens Kierkegaard is er sprake van levenskunst als je deze drie vormen van in het leven staan in een goed evenwicht brengt. Hierbij een korte beschrijving van de drie manieren van kijken en leven.

Esthetisch

Dit is de basis. In het Grieks is aisthesis: zintuiglijk waarnemen of voelen. Bij Kierkegaard is het verbonden met genieten en het begrip onmiddellijk. Ons spontane, zeg maar automatische gedrag. De mens geniet van dagelijkse onmiddellijke behoeftebevrediging. Denk aan genieten van de krant lezen, een kopje cappuccino, lezen van een boek of filosoferen, maar het kan extreme vormen aannemen in allerlei vormen van verslaving. Wie nooit een bewuste keus heeft gemaakt van hoe je wil leven verkeert vanzelf in de esthetische sfeer van het onmiddellijke. Keij geeft geïnspireerd door Kierkegaard een aantal typeringen van mensen met een esthetische leefstijl. De Lomperiken, de bankzitters die met een glas bier tv kijken of porno consumeren. De leuteraar die met gemakkelijke praatjes zijn leegheid verbergt. Dan heb je de Toerist die zich vermaakt met rondreizen. Rusteloos op zoek naar zichzelf, naar hun ziel die ze kwijt zijn en steeds elders hopen te vinden. De gezondheidsfreaks die door de bossen rennen en superfoods eten om zo onsterfelijkheid te bereiken. En tenslotte spreekt hij over de aristocratisch hedonisten die een subtiel estheticisme cultiveren door bezoek aan musea, deel nemen aan een filosofiecursus, het lezen van het laatste literaire sensatie en alles met het doel om indruk te maken op anderen en het zich verheffen boven de lomperiken. Keij verwijst hier naar het ‘Dikke ik’ mensbeeld zoals dat is beschreven door Harry Kunneman.

Wat maakt dat de esthetische mens vast loopt? Volgens Keij is het dat het najagen van lust leidt tot een zeurend gevoel van onbehagen en verveling. De afleiding die gezocht wordt is een afleiding van de mens zelf. De tragedie van het genieten is de wanhoop die veroorzaakt wordt door de leegte in existentiële zin. Door het opgeklopte estheticisme van consumptie, vermaak en genieten komen mensen steeds verder af te staan van het innerlijk. Het ik is gefragmenteerd door het spelen van een veelheid van rollen. Veel is imago en buitenkant. Het levert alleen maar een gevoel van zinloosheid en depressiviteit op. Keij schrijft:

‘De estheet meent dat hij vrij is, maar hij verwart vrijheid met willekeur.: met het willekeurig reageren op externe prikkels. Feitelijk ‘kiest’ hij ervoor niet te kiezen. Hij scharrelt maar wat rond en pikt her en der zijn geneugten op zoals kippen hun graan’. Keij. P.138

In het doorleven van de leegte en wanhoop zit het verlangen hieruit te ontsnappen. Met een sprong. De sprong is gegeven met het besluit om het leven een andere richting te geven. Het is de sprong naar een andere manier van kijken en leven. Het teveel van het genieten is tegelijk een tekort en roept als het ware om een nieuwe manier van leven. Het besluit om dingen anders te doen is de sprong. Besluiten is je vrijheid realiseren dat dingen anders kunnen en moeten. Door te besluiten geef ik richting aan wie ik als mens wezenlijk wil zijn. Door te kiezen, Keij schrijft ‘jezelf baren’, zal de zwaarmoedigheid, als uitdrukking van de wanhoop, verdwijnen.

Ethisch

Dankzij de wanhoop, (in de hulp wordt dit ook wel lijdensdruk genoemd), kan de mens door een besluit te nemen overspringen naar het ethische gebied. In de woorden van Keij begint het leven van mensen dan pas in die zin dat deze mens niet meer leeft volgens driften, directe behoeften en automatismen. Toch is Kierkegaard volgens de schrijver niet helemaal duidelijk over wat behoord tot het ethische gebied. Hij komt tot drie punten.

Allereerst als de mens als burger zich aan de heersende moraal houdt. Denk ook aan de trouwe kerkganger die zich houdt aan de morele en religieuze voorschriften van zijn geloof. Het ethische dat zijn hier de mores en gebruiken van de groep. Maar Keij geeft hierbij twee nuances. Allereerst dat de moraliteit aan verandering onderhevig is. Elke moraal heeft zijn tijd en beweegt mee met de tijdgeest. Er zijn meerdere moralen en alle verschuiven met de tijd mee. Het tweede is dat het ethische als algemene moraal uiteindelijk ondergeschikt is aan wat absoluut centraal moet staan: de mens als individu. Het gaat om de spanning tussen ‘regel is regel’ en de vraag wat nu in deze situatie goed is om te doen. De regel is een algemeenheid, maar elk individu is echter uniek. De gerichtheid op de mens is het ethische als het absolute. Mijn verantwoordelijkheid eist dat ik van de publieke moraal afwijk. Of de andere mogelijkheid is dat ik me soms schik naar de regels, maar niet onkritisch. Dit noemt Kierkegaard het ethische als innerlijkheid of het ethisch religieuze. De ethische betrokkenheid op de mens is wat uiteindelijk religieus zal heten bij Kierkegaard.

Keuzes maken

Ten tweede is dat ik als mens verantwoordelijkheid neem voor mezelf en mijn gedrag. Ik besef dat ik vrij ben en ik geef die vrijheid vorm door besluiten te nemen die bindend zijn. Kortom ik heb een beeld van mijn eigen mogelijkheden en probeer deze ondanks tegenslagen en tegenwind te verwerkelijken en voor het goede te kiezen. Keij:

‘Want pas met mijn besluiten geef ik vorm, samenhang en richting aan mijn leven. Dat bedoelt Kierkegaard als hij zegt dat ik met het ethische mijzelf kies en mijzelf als taak zie: de taak mijzelf waar te maken’. Keij p. 149

Dit ‘besluitend leven’ boort een diepere laag aan en is een vorm van verinnerlijking. Het is ook een synthese van vrijheid en noodzaak. Binnen de omstandigheden en mogelijkheden maak ik mijn eigen keuzes. Keij wijst op de dialectische spanning tussen vrijheid en noodzaak. Ik ben niet de omstandigheden, maar ik verhoud me er toe. Het gaat er om hoe ik met de omstandigheden omga. De omstandigheid maakt het kiezen mogelijk. Het gaat om de samenhang. Omdat de ethische mens besluitvaardig kiest ontstaat er ontwikkeling en samenhang in de persoon. Er zit een kapitein op het schip die richting geeft en koers houdt en zo voor identiteit zorgt, iets wat bij de estheet ontbreekt.

Ten derde wil het ethische zeggen dat ik me laat gezeggen door het religieuze ofwel de relatie met God.

3. Uitwerking Het religieuze in het appèl

Chagall. Offer van Isaac

Keij begint dit deel met te zeggen dat het religieuze een bijzondere vorm is van het ethische. Als filosoof wil hij niet op het terrein van de theoloog komen en als filosoof begrijpelijk blijven voor zijn lezers. Zo voorkomt hij gezien te worden als religieus dweper of vaag spiritueel. Hij verzet zich tegen de geloofsvisie van Kierkegaard en gebruikt het denken van Derrida en Levinas om iets te zeggen over de essentie van de religieuze ervaring zo dat ook de niet gelovige zich kan herkennen.

Allereerst geeft hij een weergave van het religieuze gebied of stadium volgens Kierkegaard. De idee is dat ook het ethische stadium in mensen tegen een grens aan loopt. Het voldoen aan de ethische mores van de groep, de tijd is niet meer voldoende. Er is een verlangen naar meer. Keij schrijft:

‘De ‘oplossing’ voor de ethische wanhoop ligt in mijn ultieme bestemming: het inzicht dat God voor mijn leven mijn maatstaf, mijn criterium moet zijn. De sprong uit het ethische als het algemene naar het religieuze stadium wordt pas mogelijk doordat ik geroepen wordt tot mijn religieuze bestemming. De sprong volgt uit die roep. Daarmee bereik ik het ‘eindstation’ waar ik pas echt mijzelf als mens voltooi, dat wil zeggen ‘enkeling’ wordt’. Keij p. 171

Kierkegaard gebruikt hierbij het bijbelverhaal van het offer van Isaak door Abraham om duidelijk te maken wat die roeping en het antwoorden op de vraag van God betekent. Keij laat allereerst zien hoe Kierkegaard dialectisch met het verhaal omgaat en zo komt tot een dubbele beweging. Het eerste is dat door op weg te gaan en te starten met het offer Abraham afstand doet van de wereld en het aardse geluk in de vorm van zijn dierbare zoon. Door dit offer gaat hij in tegen het ethische (doden van Isaac). Het is een absurde situatie omdat de liefde van de vader voor zijn zoon niet te verenigen is met de religieus geïnspireerde wens de zoon te doden. Abraham geeft zich over aan de vraag van God en hij berust zo in het oneindig verlies. Hij toont zo dat hij in relatie staat tot God. Religie is de persoonlijke (eenzame) relatie van de enkeling tot God. Zo wordt benadrukt dat religie niet iets is wat je er even bij kunt doen en dat geloof een zekere verplichting heeft.

Levinas

De tweede beweging laat zien hoe Abraham omgaat met de paradox die geloof is. Dialectisch gezegd: door te geven zul je ook ontvangen. Door zijn overgave aan God ontvangt Abraham het leven weer terug. God grijpt in en vraagt hem om in plaats van Isaac een bokje te offeren. Metaforisch zegt het verhaal dat het bestaan een geschenk is. Wat je geeft komt op een andere manier, in een andere hoedanigheid weer bij je terug. Dat inzicht geeft de vrede van het religieuze niveau. Keij vat Kierkegaard’s analyse van het verhaal samen in drie punten. A. Aan het geloof zijn kosten verbonden. Geloof vraagt iets van je. B. Geloven in God gaat gepaard met lijden. C. Als je jezelf overgeeft ontvang je het inzicht dat het leven een geschenk is en dat geeft je een gevoel van vrede.

Tot zover de duiding van Kierkegaard die klassiek te noemen is. Keij wil laten zien dat er ook andere manieren van kijken mogelijk zijn. Daarom geeft hij een tweede hermeneutische analyse van hetzelfde verhaal. Deze is van Levinas die een ander aspect benadrukt. Levensstijl legt de nadruk op het verbod op het offeren van mensen oftewel het plegen van geweld om een hoger dat wil zeggen religieus doel te realiseren. Het aanklagen van een praktijk van mensenoffers is de essentie van het bijbelverhaal en is daarmee in deze visie het hogere metaforisch doel van de bijbelschrijver.

De derde analyse is die van de Franse filosoof Derrida. Ik geef de belangrijkste gedachten.

Derrida

Derrida stelt dat de door Kierkegaard beschreven ethiek van innerlijke verantwoordelijkheid waarbij ik steeds onontkoombaar verantwoordelijk ben voor mijn beslissingen in wezen religieus is. In het religieuze stadium ligt het accent op de innerlijke ethiek. Dit staat tegenover de uiterlijke ethiek van de geldende normen en regels van de groep of samenleving. Hij brengt zo het religieuze weer terug tot het ethische. Hij stelt dat mijn relatie tot God begrepen kan worden als een ethische relatie (van verantwoordelijkheid) tot de andere mens. Hij stelt: God is de naam van de absolute ander als ander. Derrida verplaatst het begrip God met al zijn kenmerken naar de andere mens. Zo gezien lijkt de relatie van Abraham tot God op mijn relatie tot de andere mens. Daarbij zijn twee kenmerken van belang:

  1. God, maar ook de ander is transcendent. Elk beeld dat ik van een ander heb is ontoereikend, een geheim. Die overstijgt mijn kennis en is uiteindelijk een mysterie. Uiteindelijke kennen we maar een stuk van elkaar en blijft er een deel onzichtbaar oftewel transcendent.
  2. God, maar ook de ander, is absoluut verplichtend tot het goede. God, maar ook de ander kan een appèl op mij doen. Het behelst het appèl om verantwoordelijkheid voor hem of haar te nemen. Een verplichting tot het goede. Het is een ethische verplichting. Voor dat ik kan besluiten tot een antwoord heb ik al geantwoord en ben ik beschikbaar. Dit antwoord is vervat in het zinnetje: Hier ben ik. Het is het spontane antwoord op datgene dat zich onhoudbaar aandient. Het is ook Abraham’s reactie op de vraag van God.

Het antwoord op het appèl van de medemens is doorgaans ‘hier ben ik’. Dat is het religieuze niveau als ethiek. Religie is niets anders dan de ontsluiting van mijn verantwoordelijkheid. Kierkegaard noemt de mens theodidact, iemand die zijn ethisch onderricht van God ontvangt en vervolgens kan de eigen innerlijkheid tot een godsverhouding gewekt worden. Zo leert de mens dat God zijn maatstaf is. En die maatstaf is wees verantwoordelijk, sta in voor de kwaliteit van leven en wees niet onverschillig. Of God wel of niet bestaat, het appèl van de ander blijft. In die zin is iedereen religieus conform het idee van Levinas dat de relatie religie is. Religie is het antwoord in de verwoording van ‘dat gaat mij aan’. Keij schrijft:

‘Religie is antwoord. Religie is verbinding met wat het denken overstijgt: in het appèl verbonden worden met het goddelijke, dat wil zeggen het transcendente, absoluut verplichtende, het Goede. (..) Derrida en Levinas stellen zo religie gelijk aan de ethische relatie: religie is solidariteit. Het appèl is spiritualiteit, de ware spiritualiteit. ‘God’ is hier licht gevend’. Het appèl is het moment van verlichting. Verlichting is aldus alledaags gegeven en het is voor iedereen weggelegd’. Keij P196-197

Dit alles levert een immanent humaan beeld op van religie. Keij stelt dat a. de gelijkstelling van religie aan de relatie zorgt voor een veilige en humane religie. Er is oog en zorg voor mensen. Niet het accent ligt op God, maar op mensen. Godsdienst is dienst aan de naaste. En door het appèl worden mensen geactiveerd om zich voor anderen in te zetten. b. De gelijkstelling van religie aan de relatie  zorgt voor een universele religie. Ondanks de godsdienst die ik aanhang en ongeacht de belijdenis en leer van een kerkgenootschap werkt het appèl  van de ander in mij als een ondergrondse maar ook absolute religieuze ervaring.

In hoofdstuk 12 Dialectiek van berusting en geloof probeert Keij een invulling te geven van de religieuze dimensie van het leven volgens Kierkegaard. En die een specifieke vorm van het ethische is. Ik geef de belangrijkste gedachten:

  • Het gaat om geven zonder bijbedoeling, geven om niet, onbaatzuchtig. De innerlijkheid van de liefde moet opofferend zijn en geen beloning eisen, zo schrijft Kierkegaard.
  • De houding is dat ik in mijn verantwoordelijkheid de ander de voorrang geef boven mijzelf. Ik stel mijn liefhebberijen en plannen even uit.
  • Van het het belangeloze, het goede kan gezegd worden dat het irrationeel is, bijna onverklaarbaar. Het doen van het goede is niet te verklaren. De gift, de gave, het schenken is rationeel gezien niet goed mogelijk. Als je er rationeel over na denkt dan ontbreken de woorden, ga je stotteren.
  • Dit is het gebied van ‘voor’ het bewustzijn, dit is het gebied van het appèl. Waar je iets voor de ander doet omdat je niet anders kan. Het gebied van ‘hier ben ik’. De ander staat centraal.
  • Voor Kierkegaard is dit de openbaring van mezelf als kern, essentie, in dat ogenblik. Op dat moment is het bewustzijn met al z’n redenen en motieven even uitgeschakeld. Het is even geen thema.
  • De overgave aan de ander als antwoord op het appel, werkt als ervaring door in de persoon. En wel in een breder dieper besef van mens zijn. De verantwoordelijkheid voor de ander maakt dat ik me meer bewust wordt van mijn aard als mens. Zo maak ik de essentie van wat ik ben waar. Mogelijk kan je het zien als voltooiing van mijn mens zijn. Het brengt je bij de ervaring van zinvolheid. Maar nogmaals deze ervaring is eerder een ervaring die moeilijk in woorden te vatten is. Het voelt aan als een geheim.
  • De religieuze ervaring is paradoxaal. Door jezelf weg te geven, vind je een ‘dieper ander zelf’ terug. Keij beschrijft de dialectiek aan de hand van een gedicht van Celan.

Afvallig ben ik pas trouw/ Ik ben jij als ik ik ben

De eerste regel gaat over het loslaten van mijn gewoonlijke ik, gewoontes, genietingen en strevingen. De tweede regel is de beweging van het via het nemen van verantwoordelijkheid terugvinden van jezelf als heel mens en als iemand die zichzelf in de ogen kan blijven zien.

  • Het gevolg van de paradox is iets dat van een andere orde is dan genieten of netjes doen van wat hoort. Het gaat om een andere realiteit van het ethisch absolute.
  • De zelfwording van de mens is een innerlijk proces. In het appel op een bepaald ogenblik maak je de keuze om verantwoordelijkheid te nemen voor een ander, dit handelen biedt de ervaring van zinvolheid of volheid (Taylor). En deze innerlijkheid is de verhouding van het individu tot zichzelf voor God. Maar ook de verhouding van het individu tot zichzelf voor de ander.

Afsluiting

  • Keij schreef als oud-onderwijzer en filosoof een verhelderend boek. Mij hielp het om meer te weten te komen over het denken van Hegel, Sartre, Levinas en Derrida. Hij helpt je het gereedschap van het dialectisch denken in beeld te krijgen en geeft een aanzet om dit zelf ook meer toe te passen.
  • Het is jammer dat hij het religieuze denken van Kierkegaard niet in hermeneutisch benaderd. Het protestante Godsbeeld en het levensgevoel van Kierkegaard zijn goed verklaarbaar vanuit zijn achtergrond en situatie als protestant levend in de 19de eeuw. Keij schrijvend in de 21e eeuw had door Kierkegaard goed in zijn tijd te plaatsen, zo de overstap naar deze tijd kunnen maken. Nu blijft de spanning tussen het immanent en transcendent denken van toen vergeleken met nu wat onduidelijk. En dat terwijl ik denk dat de posities van Levinas en Derrida en Kierkegaard, hoewel hun denkhorizon in de tijd verschilt, toch dicht bij elkaar liggen.
  • De drie aspecten esthetisch, ethisch en religieus handelen en denken zitten verborgen in het alledaagse leven van mensen van nu. Zoals door Kierkegaard voorgesteld dat het een gebouw met verdiepingen is, geeft een hiërarchie aan. Mensen die alleen esthetisch leven gericht op onmiddellijke bevrediging zouden dan minder zijn dan mensen die ethisch of religieus leven. Dat is me te schematisch en te normatief. Ik zie dat in het alledaagse leven van mensen alle drie aspecten gelijktijdig aanwezig zijn in mindere of meerdere mate. Ook het ethische en religieuze ‘gebeurt’, alleen het wordt vaak niet gezien en benoemd. Het is juist aan hulpverleners en geestelijk verzorgers om dit op tafel te krijgen.

Recensie ISW


Ontdek meer van Filosofie lezen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Plaats een reactie