Bettina Stanghneth Het kwade denken

stangneth fotoAls ik aan deze blog werk verschijnt er een bericht op NOS.nl over een conferentie op Sicilië, georganiseerd door Google over klimaatverandering, waar tal van beroemde mensen zoals Barack Obama en tal van filmsterren met hun privé jet naar toe zijn gevlogen.

Wat ik lees in de media is dat de maatschappelijke verontwaardiging groot is.  Niet onbegrijpelijk omdat het gaat om de kloof tussen wat deze voorbeeldfiguren zeggen of denken en feitelijk doen. Juist die kloof is waar het bij het kwaad om gaat. En het is niet iets wat alleen geldt voor machtige, beroemde of slechte mensen. We worstelen allemaal met het feit dat we goede mensen willen zijn, maar dat het in mindere of meerdere mate moeilijk is om het goede te doen en daarin consequent te zijn.

Dit boek cirkelt om de ‘werking van het kwaad’ en dat wat mensen elkaar aandoen, Of dat mensen door niets te doen evengoed het kwade versterken. En dat er ook iets aantrekkelijks in het kwade zit. En het boek gaat over de rol van de rede en zelfbewustzijn. Kan het denken, in vrijheid en vanuit een zeker idee van ‘het goede’ bij dit soort vraagstukken ingezet worden. De schrijfster stelt zelf in het laatste hoofdstuk deze vraag: Het is een simpele vaststelling: de mens vraagt nog altijd om een moraal en iedereen snapt meteen wat hiermee wordt bedoeld. Waarom is het zo moeilijk om op zo’n simpele vraag een even simpel antwoord te geven?

goede en kwadeDit boek van Bettina Stangneth gaat over verschillende aspecten van het kwaad en biedt de lezer een aardig overzicht van wat een aantal filosofen hebben bedacht over rede, vrijheid, denken, bewustzijn en de praktische toepassing in het dagelijks leven. Het is geen gemakkelijk boek door de schrijfstijl met lange zinnen en de wijze waarop gedachten zijn geformuleerd.  Creatief, polemisch, zichzelf herhalend, associatief waarbij ze gemakkelijk overstapt van de 17e eeuw naar onze tijd en weer terug naar de tijd van het nazisme. De periode die door het hele boek heen loopt als illustratie van het kwaad en hoe het niet moet . Ze is vooral in gesprek met Kant en Arendt, maar niet altijd is duidelijk wie er aan het woord is, omdat er in het boek nauwelijks verwijzingen naar gebruikte literatuur worden gegeven. Laten we zeggen dat Stangneth vrij omgaat met haar voorgangers wat niet wil zeggen dat ze hen niet goed bestudeerd heeft.  Als je de recensies in de Nederlandse bladen bekijkt dan zie je een serieuze bespreking (Bas Heijne), maar ook een filosoof die volledig afhaakt op dit boek (Hans Achterhuis). Zie voor een link onder aan dit stuk.

De indeling van het boek is dat drie soorten kwaad aan bod komen. Kant spreekt over het radicale kwaad dat uit de mens voortkomt. Hij bedoelt daarmee dat de mens van nature kwaad kan doen. Hannah Arendt werkt honderdvijftig jaar later een ander aspect uit n.l. de banaliteit van het kwaad, waarmee ze de nadruk legt op het gedachteloze gewone -maar volstrekte verkeerde – handelen van de nazi’s. Stangneth trekt dit vervolgens door naar deze tijd. Bijvoorbeeld naar mensen die niet nadenken over de consequenties van hun daden bijvoorbeeld in hun koopgedrag. Tenslotte introduceert de schrijfster een eigen nieuwe term n.l. het academisch kwaad, een begrip dat ze toepast op een breed scala van alledaagse verschijnselen. Denk daarbij aan academici die zeer gevat en scherp de show stelen in het wetenschappelijke debat, maar volledig los staan van de maatschappelijke werkelijkheid. Ook noemt ze de hedendaagse trend waarbij er grote nadruk ligt op het werken aan een persoonlijke identiteit en die consequent en tot in het perfectie door willen voeren. De belangrijkste filosofische begrippen die in dit boek aan bod komen zijn

  • rede, het inzetten van je verstandelijke vermogens om de natuur of jezelf te begrijpen.
  • Vrijheid. Om zoals door de Verlichting beoogd werd de mens vrij te maken van religieuze heersers, denkbeelden en andere machthebbers. Om daar te komen moet de mens vrij zijn door het inzetten van de rede, dat zelfbewust denken.
  • Moraliteit. De rede op zich maakt mensen niet vrij. Stangneth laat zien dat zeer intellectuele mensen met een goed stel hersens zeer foute dingen kunnen denken en doen. De vraag naar het goede, de ethiek vraagt om het gesprek met de ander en het besef dat elk mens die het goede spoor wil bewandelen in gesprek zal moeten gaan met de mensheid als geheel. Zelf schrijft ze:moraal1

‘Moraal is de uitdrukking van de hoop dat de wereld beter kan worden dan ze nu is, en is de wil te ontdekken hoe we de wereld kunnen verbeteren zonder haar juist tot een nog beroerdere plek te maken. Verlichting is de eis aan elk individu om precies te beginnen met datgene wat hij zelf kan veranderen – dus om daadwerkelijk redelijk te handelen in plaats van van het paradijs te dromen – en wel dag in dag uit bij elke afzonderlijke handeling steeds opnieuw, omdat het alleen daarop aan komt. En de rede is niets anders dan het beste instrument dat we kennen om de onredelijkheid en alle andere talenten en neigingen waarover wij beschikken de grootst mogelijke ruimte voor ontplooiing te bieden zonder dat ze onherstelbare schade aanrichten. Dat is alles’. p. 228

Het ervaren, voelen en denken van mensen als damestasje.

Als inleiding start ze met een betoog over denken en het bewustzijn van de mens. Gedachten, constructies, betekenissen stutten het dagelijkse doen van mensen, ze bieden houvast, maar het is allemaal niet betrouwbaar. De ene dag is het de ene gedachte, de andere dag staat een andere deugd of waarde vooraan. Ze gebruikt voor dit mechanisme het beeld van een damestasje dat al enige tijd in gebruik is. Op een gegeven moment weet je niet meer precies wat er allemaal in zit. Dat is een kant van het menselijk gedrag, tegelijkertijd kan de mens afstand nemen van zijn eigen gedachten en de gedachten ordenen. Opnieuw in een beeld: mensen kunnen hun tasje met gedachten in een volgende tasje stoppen. Ik denk dat ik denk. Ze schrijft:

Ik hanteer niet alleen een voorstelling van alles buiten mij, maar ik heb ook een voorstelling van mezelf als denkend wezen dat deze voorstelling heeft. p. 38

Op het hoogste niveau van ons denkvermogen gaan kennis en verlangen samen doordat we van allebei een voorstelling hebben en doordat we van buiten naar deze kennis en het verlangen kunnen kijken. Dit is zelfbewustzijn. Zelfbewustzijn is het vermogen om doelen, motieven en oogmerken van mezelf te onderzoeken en te zien of er ongerijmdheden in zitten.

Kant en het radicale kwaad.

rede en religiejpgVervolgens komt het denken van Kant in beeld en hoe hij in de ontwikkeling van de Verlichtingdenkers een aantal denkstappen zet. Stangnett begint met de stelling dat hoe moeilijk ook de theorie, we het denken van Kant dagelijks toepassen. Een voorbeeld is dat de stem van de rede aanwezig is als we ons denken en handelen bij elkaar proberen te houden. En we genieten er namelijk van naar onze overtuigingen te handelen. Wanneer dat niet zo is dan merken we dat op en zit het ons dwars of sterker verscheurd het ons. We willen graag consequent zijn en als zodanig gezien worden.

In de opvatting van Kant gaat de rede niet uit van waarden of deugden. Hiervoor zijn verschillende redenen. Hij vond dat als het ging om geloof, je je niet kon beroepen op iets waarvan je niet kon weten of het bestond. Net als de andere denkers van de Verlichting wilde hij los komen van een sterk door geloof gekleurde visie op de mens en zijn handelen.  Dit is iets wat mensen onvrij maakt. Hij zag vervolgens in zijn tijd de grote verscheidenheid aan ideeën en achterliggende waarden en voorzag dat deze nooit op een inhoudelijke noemer samen te brengen zouden zijn. Stangneth vult hem hier aan als ze stelt dat mensen door hartstochten, rusteloosheid en passies worden gedreven en dit een grote diversiteit aan waarden en ideeën oplevert. Daardoor zijn mensen zeer ambivalent en onbetrouwbaar en in de loop van hun leven kunnen wisselen van gedachten.

Kants oplossing voor deze verscheidenheid en ambivalenties was een universele beslissingsprocedure op basis van de rede en de aanname dat iedereen een zintuig heeft voor wat klopt en wat niet.  Zo zijn we in staat om een onderscheid te maken tussen goed en kwaad. Dit is de rede in zijn simpelste betekenis.  De rede veronderstelt namelijk dat je alle verlangens, ideeën en overtuigingen kunt onderzoeken en in discussie stellen. Maar de mens kan ook het ‘alarmsignaal van de rede onderdrukken’ in ons bewustzijn en zijn toevlucht zoeken tot een religie. Kant vindt dit opium voor het geweten.  Hij ging uit van een praktische rede die er voor zorgt dat je als mens je gedachten, ideeën, doelen en gedragsregels kan toetsen in hoeverre ze op de rede aansluiten. Dit onderzoek wordt het categorisch imperatief genoemd. Stangneth omschrijft dit kernbegrip als volgt: ‘Steeds wanneer je iets van plan bent, stel je jezelf de vraag of de regel waarnaar je wilt handelen zich laat veralgemeniseren, dus of je jezelf of wie dan ook kunt overtuigen dat iedereen net zo zou handelen’. p. 40

Citaat: We maken in feite voortdurend gebruik van elkaar en een ethiek die hier geen rekening mee houdt zal geen ingang kunnen vinden. Die ethiek zal echt ook moeten benadrukken dat van elkaar gebruik maken niet alles mag zijn. ‘Handel zo dat je de mensheid, zowel in de persoon van jezelf als wie dan ook, niet louter als middel aanwendt maar ook altijd als doel’. p. 42

De individuele mens moet zelf tot handelen over gaan en niet wachten op een ander of grote verhaaltotdat de wereld verandert. Het oriëntatiepunt, de noodzakelijke plaatsbepaling, is het begrip mensheid. Dit staat voor gelijkheid van mensen, die net als jij begiftigd zijn met rede. Mensheid zelf is een waarde. Dit levert als grondhouding op dat als je handelt dit zo doet dat je de mensheid, zowel in de persoon van jezelf als wie dan ook, louter als middel aanwendt, maar ook altijd als doel. Alleen wanneer de verstandhouding met onszelf vrij van tegenspraak is, deugt onze wil en zijn onze handelingen niet kwaadwillig.

Op deze manier bestaat wel degelijk een voor iedereen geldende zedelijke wet. Maar misschien kun je beter de vraag stellen waarom we als mensen de moraliteitseis omzeilen en vaak met rechtvaardigingen komen om onze inconsequenties goed te praten. Kant’s denken houdt zich uitgebreid met deze vraag bezig. Want meestal beweren we te weten welk gedrag passend is in een bepaalde situatie, maar op het moment dat het nodig is doen we het niet. We weten het, we willen het maar zijn er niet toe in staat! Ze schrijft: ‘Soms kiezen we er bewust voor om ‘onze kennis van de moraal en aan het alarmsignaal van de rede minder aandacht te schenken dan aan al het andere dat ons drijft’. Kant geeft verschillende benamingen voor deze gradaties in onze houding van het goede of kwade hart. Onvolkomenheid, onzuiverheid of kwaadaardigheid. Al deze smoesjes of uitvluchten zijn in ons als mensen aanwezig.  Hij stelt daarom dat we als mensen wel degelijk een slechte of kwade kant hebben. We zijn radicaal kwaad. Met ‘radicaal’ bedoelde hij niet zozeer extreem slecht kwaad, als wel van nature, vanaf de wortel. Kwaad is indien iemand bewust afwijkt van het gebod tot moraliteit of dat naast zich neerlegt. Er komen meerdere verklaringen voor het inconsequente  gedrag naar voren: mensen willen leven, of zelfs overleven. (geen gebrek lijden). Maar ook: zwakte, onoprechtheid en verdorvenheid. Stangneth werkt op basis van Kants denken drie categorieën, die leiden tot inconsequent gedrag, verder uit:

  1. Onmondigheid. Mensen worden verleidt of vertrouwen het verkeerde.
  2. Het eigen oordeelsvermogen wordt vertroebeld. Ik doe hetzelfde als anderen, daarom is het veroorloofd. Ik beleef plezier aan mijn gedrag daarom is het gerechtvaardigd.
  3. Handelen met enige opzet, niet om kwaad te doen, maar ik heb daarbij nagestreefd het beste te doen. Dit is wat Mephisto deed: een geest die het goede wil, maar het kwade teweegbrengt.

Bij al deze gevallen is de discrepantie te zien tussen het doel van de handeling en de handeling zelf. In alle gevallen wordt de noodzaak gevoeld om het gedrag te rechtvaardigen of te komen met een leugen. Arendt gaat hier dieper op in met haar begrip banaliteit van het kwaad. Volgens Kant is de mens ook tot het kwade aangetrokken omdat moreel goed handelen maar één van de drijfveren van de mens is. De mens kon er namelijk altijd in alle vrijheid voor kiezen de rede niet te volgen. Stangneth: ‘Elke ethiek is in feite niet meer dan een crisisprogramma.’ De mens is tot radicaal kwaad in staat omdat hij niet alleen kennis nastreeft, maar ook de tactische houding aan kan nemen om zelf te beslissen wanneer hij die redelijke kennis bij zijn handelingen betrekt. Het is overigens niet zo dat meer kennis maakt dat we verstandiger worden en alleen maar moreel goed handelen. We kunnen op elk moment tegen beter weten in handelen.

Hannah Arendt. Denken: twee-in-een.

kwade 2De tweede filosoof die ze betrekt bij haar onderzoek naar het kwaad is Hannah Arendt. Waar Kant zich afvraagt hoe het mogelijk is dat we willens en wetens tot het kwaad over gaan vraagt Hannah Arendt hoe het mogelijk is dat wij onwetend tot het kwaad over gaan. Zo komt ze tot het begrip: ‘banaliteit van het kwaad’. Het snelle antwoord op de vraag naar die onwetendheid en het kwaad is dat een individu niet noodzakelijkerwijs hoeft te streven naar het punt waarop duidelijk wordt in welke richting de stem van de rede hem naar toe stuurt. De gedachteloze dader gaat helemaal niet op zoek naar de gradatie waar het hem duidelijk wordt dat hij iets verkeerds doet. p.87 Het kwaad dat zo mogelijk wordt, vindt volgens haar zijn oorsprong in het niet-denken. Dat wil zeggen een toestand waarbij je er van overtuigd bent dat er geen alternatieve handelingsrichting is.

De ideologie en werkwijze van de Nationaal Socialisten tijdens de dertiger jaren in Duitsland in hun ‘kwaad handelen’ ging in de visie van Arendt ver voorbij de gebruikelijke kwaadaardige beweegredenen van mensen die we lage motieven noemen: eigen belang, hebzucht, afgunst, machtswellust, wrok of lafheid. Dit ‘overstijgende’ kwaad van de nazi’s kan door geen woede worden gewroken, door geen liefde geaccepteerd of vriendschap vergeven. Daarvoor is het KWAAD te groot. De daders hadden als heersers over leven, pijn en dood de mensheid verraden. Zowel hun eigen ‘mensheid’ als die van de slachtoffers. Wie zich het recht aanmatigt te beslissen wie mag blijven leven en wie niet, plaatst zich volgens Arendt buiten de mensheid.

Stangneth stelt dat het de nazi’s lukte een wereldbeschouwing te presenteren die als geloofwaardig werd ervaren. Een ideologie die de identiteit van de Duitsers versterkte en de mensen uitsloot die niet in dat plaatje pasten. Door de ontkenning van de werkelijkheid, van vaststaande feiten werden de gemeenschappelijk referentiepunten  en het idee van mensheid vervangen door een droom van een elitegroep van partijleden. In het geval van het nationaal socialisme werkte dit uit in denkbeelden over bloed en bodem, een absolute heerschappij van een elite en een collectieve verdwazing in de samenleving. Arendt onderzoekt de rede en wat ‘bewust’ denken zou kunnen zijn om het kwade te voorkomen. Een mens die zich zelf aanleert om alles met aandacht te beschouwen oefent zich in de toepassing van de stem van de rede, ook als er geen morele vragen aan de orde zijn. Misschien herken je enkele van de volgende kenmerken:

  1. Je gaat met name bewust denken als zaken, die je ziet, niet aansluiten bij de voorstellingen die je al hebt. Het gaat dus om identitas en differentia, ofwel dat wat overeenkomt met het beeld dat je al hebt en wat niet.
  2. Als je diep nadenkt sluit je je af van de omgeving. De denkende mens is een stoorzender die de gezelligheid van anderen verstoort. Bij denken wordt de verbinding (voorstelling) die door overlevering, of gewoonte is gelegd afgebroken en op een andere manier weer in elkaar gezet.
  3. Denken is een soort van verlamming op twee manieren. Je stopt met handelen, doorbreekt de vanzelfsprekendheid en maakt onzeker. Zo denken is misschien wel gevaarlijk.
  4. Denken schept ook afstand ten opzichte van wat gewoon is. Je kunt zo kritisch beschouwen.
  5. Het voorgaande maakt dat we kunnen besluiten om op elk moment onszelf anders te gedragen dan de mensen in onze omgeving. Of anders gezegd: onderzoeken en beslissen of de aangeleerde maatschappelijke gedragsregels maar ook mijn persoonlijke regels moeten blijven of niet.

Een citaat:

Ik kan me bevrijden van de geleerde regel en ook bij mezelf overleggen, vooropgesteld dat ik daar de tijd voor neem, of ik die regel wil volgen of niet. Wanneer het denken heen en weer gaat tussen een zeer concreet ik met al zijn voorstellingen aan de ene kant en het aangeleerde gedrag aan de andere, kan ik onderzoeken en beslissen of de aangeleerde maatschappelijke gedragsregels ook mijn persoonlijke regels moeten blijven of niet . Alleen wie leert te denken en zich oefent in deze eigenaardige interactie met zijn omgeving, kan leren omgaan met de verlammende en onzeker makende gevolgen van het denken en hoeft daar dan  niet langer voor terug te schrikken’. p. 84.

De denkende mens gedraagt zich op deze manier gedwongen wereldvreemd, want hij meet het bestaande af aan het niet-bestaande, maar beweert van het niet-bestaande hardnekkig dat het beter zou zijn als het wel bestond. Toch blijft er de vraag wat er aan de hand is bij de niet denker. Waarom gaan mensen de omgang met zelfbewust denken uit de weg? Het gaat haar om het mechanisme van het gedachteloos en nalatig handelen.  Want wie mee doet en geen verzet pleegt, terwijl hij of zij dit zonder gevaar voor lijf en leden had kunnen doen, geeft daarmee ook zijn goedkeuring en is daarmee nalatig. Wie meedoet, doet ook daadwerkelijk mee, zij het gedachteloos. In banaliteit van het kwaad beschrijft Arendt de volgers van Hitler die carrière maakten in het leger, maar geen motieven hadden of erbij stil stonden wat ze eigenlijk deden. Ze volgden de regels en waarden van de meerderheid van de groep. Wat hier in de gedachtenlijn ontbreekt is wat Arendt twee-in-een noemt. Het moment dat je jezelf afvraagt of datgene dat je doet aan een ander criterium voldoet dan aanpassing. Arendt concludeert dat mensen niet noodzakelijkerwijs streven naar het punt waarop duidelijk wordt in welke richting de stem van de rede hem of haar stuurt. p. 87

Het kwaad dat mogelijk wordt door nalatig en gedachteloos handelen vindt zijn oorsprong in niet-denken – een toestand waarin de individu denkt dat er geen alternatieven voor handen zijn. De motieven die mensen geven om het eigen gedrag te verantwoorden – de onbegrijpelijke discrepantie tussen de motieven voor de handeling en de inhoud gelden voor haar allemaal als banaal.  Het zijn die gedragingen die voor een buitenstaander als immoreel te beschouwen zijn en die voor het handelende individu, omdat er niet over is nagedacht, aanvaardbaar zijn.

donald duckHet begrip van banaliteit van het kwaad is vaak niet goed begrepen. Stangneth probeert Arendt te ondersteunen door te laten zien dat begrippen tot functie hebben om iets dat bestaat te ordenen of te verhelderen. Het kan gaan om theorie, praktijk, kennis of moraal. Met het begrip ‘banaliteit van het kwaad’ probeert Arendt een lege plek aan kennis te beschrijven. Tegelijkertijd houdt het begrip een moreel oordeel in. Het gaat om ‘kwaad’. Als je zelf filosofeert over dit onderwerp moet je jezelf bedenken of het gaat om beschrijving of moreel oordeel. p.95

Het soort kwaad dat Arendt wil laten zien wordt voor een deel mogelijk omdat mensen deel uit maken van een groep die ideeën en regels heeft en waaruit je je niet los wil of kan maken door zelf na te denken. Zeker bij het Nationaal Socialisme werden mensen geacht mee te werken aan de terreur van staatswege. De doorsneeburger kreeg in ruil daarvoor een vermeende volkswil en een nieuw recht. (om onschuldigen te doden) Jaspers, een vriend van Arendt wees haar er op dat een mens niet alleen in negatie kan leven. Het nationaal socialisme moest meer bieden dan alleen het negatieve uitsluiten van mensen. Er moest een idee van een bedreiging zijn, maar ook een gebod om te leven volgens een eigen ideaal. Bloed en bodem. Het effect was dat burgers dienstwillige ondersteuners van een misdadige staat waren op voorwaarde dat ze het fatsoenlijk aanpakten, gedisciplineerd, geconcentreerd, consequent, gehoorzaam, punctueel en gewetensvol. Zo kon het zijn dat werkers in de ochtend doodvonnissen tekenden, in de middag kinderen van school haalden en ’s avonds naar een concert gingen. Het naziregime bood een wij-gevoel, maar ook een regelsysteem dat simpel over te nemen was en onverminderd werd aangehangen ook als de Führer er een keer niet was. Citaat: Er gaat niet voor niets ook in het geval van een theorie een grote aantrekkingskracht uit van eenvoudige antwoorden.

Vragen bij een ‘blije kip’.

Stangneth spreekt in de lijn van Arendt over banaliteit van het kwaad in het geval van een handeling die zonder meer als immoreel mag gelden, maar die voor het handelende individu toch aanvaardbaar lijkt. Dit omdat hij heeft nagelaten daar bewust over na te denken waardoor hij blind is geworden voor een alternatieve handeling. Arendt eiste een ik dat over zichzelf nadenkt en zo tot de moraal komt. ‘Omdat iedereen tot denken in staat is, volstaat één enkele bewuste denkervaring om deze mogelijkheid in onszelf te ontdekken. Wie deze kans voorbij laat gaan, het denken niet in praktijk brengt, laat daarmee de moraliteitseis los.’ Dat een mens niet nadenkt over het gevolg van zijn daden, maakt hem niet minder verantwoordelijk – eerder meer.

Stangneth geeft veel voorbeelden van deze vorm van banaliteit. De ambtenaar die precies om vijf uur het gemeentehuis sluit waardoor iemand geen hulp meer kan krijgen bij het vinden van onderdak voor dat weekend. De magazijn beheerder die zich niet afvraagt wat Zyklon B zou kunnen zijn. Het kan nog eenvoudiger: iemand die de hele nacht door gaat en zich volgiet met alcohol is de volgende ochtend geen frisse gesprekspartner voor een vriend die eens goed wil bijpraten. De moderne wereld stelt volgens haar door het complexe karakter nieuwe en niet geringe eisen aan onze morele oordeelsvorming. Het dwingt je veel kennis te vergaren op basis waarvan je verantwoordelijk kunt handelend. Wie bij het ontbijt een ei van een ‘blije kip’ wil, moet onderzoeken hoe je zo’n goed ei kunt herkennen in de winkel.

Citaat:

uit de theorie van de banaliteit van het kwaad volgt daarom ook de aansporing om je altijd bewust te zijn van de draagkracht en reikwijdte van de feitelijke kennis, dus van de wereld, en om bewust om te gaan met je eigen vermogens en tekortkomingen, wat inhoudt dat je jezelf dient toe te geven dat je bepaalde kennis mist en je jezelf opdraagt om die te verwerven’.

Cruciaal is dus de vraag of je anders had kunnen handelen. De banaliteit van het kwaad gaat niet over onmondigheid. Een kind kan je bepaalde dingen niet aanrekenen. Zegt ook niet dat iedereen onontkoombaar schuldig is. Arendt zegt : waar iedereen schuldig is, is niemand schuldig. Er is wel degelijk onderscheid te maken. De idee van de banaliteit van het kwaad is, ondanks alles, volgens Stangneth een theorie van hoop. Ze gaat uit van de overtuiging dat denken en moraal met elkaar samenhangen. Verlichting is niet alleen een uittreden uit de  onmondigheid, maar ook de hoop dat denken de mens tot een beter wezen kan maken. Het is het diepste wezen van de mens die door toedoen van zijn morele aanleg van zijn rede een weg kan zoeken en niet alleen achter modeverschijnselen hoeft aan te hobbelen. De innerlijke samenhang – de dubbele dimensie van menselijk bewustzijn – was voor Arendt het bewijs dat het subject meer is dan zijn verschijningsvorm. Als er wordt gesproken over ‘banaliteit van het kwaad’ is dat het in de eerste plaats over het kwaad gaat en dat moet ook, omdat we als mensen willen dat er onderscheid is tussen goed en kwaad. Het is iets dat van waarde is en wij niet zonder die moraliteitseis en een diepgaand besef van ons bestaan willen leven. Mensen koesteren terecht een grote angst als er sprake is van een situatie van willekeur, als niet meer helder wie of wat goed of fout is.

Arendt was in haar denken bezig met het feit dat mensen in het leven houvast zoeken maar met tegenzin morele vragen stellen. Kant vroeg zich ook al af hoe het toch kan dat mensen veel liever de ingewikkeldste regels en observanties volgen dan de vanzelfsprekende simpele moraal. Arendt zag deze morele afwezigheid of houding van ‘je mag niet oordelen’ als een uiting van een  ‘schrikbarend gebrek aan zelfvertrouwen’ en daarmee ook aan trots. p. 110

Het academisch kwaad

Stangneth voegt aan de twee beschreven filosofen en hun ideeën over het kwaad een derde vorm toe nl. het academisch kwaad. Hoewel we denken dat we op basis van de principes van de verlichting met onze rede werken aan het goede, zien we ook dat er de laatste twee eeuwen strijders tegen de rede zijn, die het gereedschap van het redeneren evengoed gebruiken. Een thema waar ze zich als filosofe mee bezig houdt is dat terroristen, nazi’s of moordenaars niet weggezet kunnen worden als dom. Zo schreef ze een boek over Eichmann waarin ze laat zien dat deze Nazi filosofische boeken las en zijn denken niet gezien kan worden als louter banaliteit. Hij probeerde in een Israëlische gevangenis in de jaren vijftig een contraverlichtingsprogramma op te zetten en las ‘literatuur van de vijand’ n.l. Spinoza. Ze schrijft:

‘Het kwaad waarmee we op deze manier te maken krijgen, komt dan ook niet voort uit zwakte of gedachteloosheid, laat zich dan ook niet verklaren als een terugval in onze dierlijke staat of naar onze natuurlijke driften, maar komt uit het systematische denken voort, uit hetgeen ons als mondige, goed opgeleide mensen zo aanspreekt. Met andere woorden: we moeten niet alleen meer rekening houden met onze inconsequente aard en onze gemakzucht, maar ook met een academisch kwaad’. p. 134

De rede gebruiken op zich is dus niet voldoende en is er meer nodig om het kwade te herkennen en aan te pakken. Ze werkt dit in een aantal hoofdstukken uit.

Onvermijdelijk passeert de Duitse geschiedenis uit de Dertiger Jaren van de vorige eeuw.  Haar analyse van het nationaal socialisme is dat de rede niet tot het wezen van de Duitser hoort. In de ideologie van de Nazi’s gaat het vooral om de grond van de vaderen (bodem, het grondgebied), de stem van het bloed (afstamming het arische volk) waarden als plicht en gehoorzaamheid en tenslotte de strijdvaardigheid van Duitsers. Deze Duitse levensbeschouwing keert zich tegen de uitgangspunten van de Verlichting, waarbij het gaat om rede, moraliteit, mensheid en mensenrechten. En specifiek richt deze levensbeschouwing zich tegen de Joodse geest. Ze ziet de angst voor verlichtingsuitgangspunten ook in de extreme Islam.

Citaat: ‘Wie de moeite neemt om eens goed naar bijvoorbeeld jihad-strijders te luisteren, hoort hen dezelfde denktrant hanteren als het nationaal socialistisch denken: rede en moraal zijn kunstmatige verschijnselen. Ze zijn verzonnen als de vernietigingswapens van ware kracht, roepen twijfel, scrupules en onzekerheid op en ondermijnen daarmee de strijdvaardigheid van de van nature sterkeren’.  p. 126

Haar zorg is daarom dat ook in deze tijd steeds weer tegenstanders van de verlichting opkomen en vormen van denken die het belang van moreel redeneren veronachtzamen. Welke systematiek maakt dat ‘de eis om altijd zo te handelen ‘dat je de mensheid, zowel in de persoon van jezelf als wie dan ook, niet louter als middel aan wendt, maar ook altijd als doel’. p. 130 steeds weer uit het vizier verdwijnt?

Ze gaat in op enkele thema’s waarbij ze een paar keer – en voor mij nieuw – wijst op gedachtenfouten van mensen. (Ze noemt dit verschoven denken) Een voorbeeld is dat de aanhangers van het nationaal socialisme gehoorzaamheid aan de partij en leven volgens de regels gelijk stelden aan moreel goed leven, waarbij het werkelijke kwaad niet gezien werd. Ze ziet vergelijkbare mechanismen in deze tijd. Enkele thema’s:

  • Ze stelt dat intellectuelen in deze tijd de neiging hebben om scherp gevat debat te voeren en zo de show willen stelen. Ze ziet dit als denken om het denken, los van de werkelijkheid. Hier stelt ze tegenover dat de rede er is om tot beslissingen te komen, te gaan handelen en zo verantwoordelijkheid te nemen. Denken is geen doel op zich. Ze waarschuwt de denker die niet in deze valkuil van gevatheid wil trappen en adviseert hem om gelijkgestemden te zoeken en samen te voorkomen dat je te arrogant wordt in het idee dat jij alleen begrijpt hoe de werkelijkheid in elkaar zit.
  • Als het gaat om de grote nadruk op de eigen identiteit schrijft ze:

‘Op het moment dat het ‘ík denk’ het culminatiepunt van de kritiek van de rede, overgaat in een genoegen over het eigen ik, dan geeft het individu zich niet alleen vrijbrief om zichzelf in plaats van de rede als criterium te hanteren, maar legt hij zichzelf ook verwachtingen op die principieel voorbij gaan aan de vraag of zijn handelen ook een moreel doel dient, want dan komt het gevoel van consequentheid van de eigen handelingen in plaats van de eis altijd, in elk afzonderlijk geval zo te handelen als ieder ander als juist kan beschouwen’. p. 152

Aanvullend bij de nadruk op identiteit wordt consequentheid verabsoluteerd. Je bent een persoon als je consequent bent. Dat geeft een aangenaam gevoel. Maar dit verlangen naar consequentheid kan ook tot een extreme hartstocht uitgroeien die ons van de vrijheid en daarmee van ons oordeelsvermogen beroven. In het geval van de banaliteit van het kwaad vond er een verwisseling plaats van de moraal met plichtsbetrachting, zodat iemand met een gerust geweten misdaden beging. Als bij iemand zijn identiteit op de voorgrond staat, die consequent moet worden doorgezet kun je volgens Stanghneth ook spreken van academisch kwaad. Dus tot bron van immorele handelingen worden met het bewuste denken en een zelfgekozen principe als basis.  Zo kan iemand trots zijn op zichzelf, omdat hij consequent verkeerde dingen heeft gedaan die precies bij zijn identiteit passen en schijnbaar uit de rede voortkomen.

Haar eigen antwoord op de grote nadruk op de ‘consequente identiteit’ is dat dit een niet passend mensbeeld is. Mensen hebben in hun zijn en handelen zeer verschillende identiteiten. Van vrouw, vakantieganger, arbeider, consument, je culturele achtergrond, religieuze voorkeur enz. Kortom een vat vol tegenstrijdigheden die opgelost wordt door het feit dat we over de rede beschikken en steeds weer eigen keuzes kunnen maken.

‘Het ik als concrete persoon, dus als de optelsom van al zijn  handelingen en beslissingen uit het verleden, mag niet als criterium gelden voor handelingsbeslissingen die nu genomen moeten worden. Het feit dat je iemand bent, heeft geen morele waarde, en jezelf voor meer dan het ‘ík denk’ houden, is geen geldige reden voor het negeren van de principiële eis dat de handeling die ik wil verrichten onvoorwaardelijk moreel verantwoord moet zijn, want van de waarde daarvan zijn alle andere morele doelen afhankelijk’. p. 163.

  • Het ik en anderen. De waarheid is wat ons verbindt.

De verlichtingsdenkers propageren het zelfdenken. Maar in onze tijd  kun je beter spreken van een ‘overschatting van zelfdenken’. Dit is het gevolg van de totale individualisering waarbij mensen niet meer naar algemene kennis verlangen en mensen het onderscheid tussen kennis en een mening niet meer kennen als twee verschillende zaken en minder feiten van verzinsels kunnen onderscheiden. Als ware kennis een persoonlijke zaak is onthoudt deze mens zichzelf van belangrijke informatie en correctie op het eigen denken door een constructieve gedachtewisseling. Als je alle denken persoonlijk maakt is elk gesprek een aanval op de eigen autonomie en wordt een gesprek heel moeilijk. Stangneth bepleit juist het idee dat kennis de individuele persoon overstijgt en de hele mensheid betreft. Mens zijn betekent juist de bereidheid beïnvloeding toe te laten. Het zijn de feiten, het is kennis die maakt dat we niet in alle vrijheid kunnen doen en laten wat we willen. Denk aan de discussie over inenting van kinderen. Citaat:

Respect voor het verschil tussen het persoonlijke en het objectieve houdt dus niets minder in dan de acceptatie van de wereld als iets gemeenschappelijks waarmee we allemaal in dezelfde mate te maken hebben en waarmee geen compromissen gesloten kunnen worden, want, hoe graag we het ook anders zouden zien, een vulkaan trekt zich niets van ons aan’. p. 176

De overschatting van het zelfdenken en de idee om zonder autoriteit (of kennis) met een houvast voor de dag te komen ziet ze als academisch kwaad omdat het de mens berooft van de volle betekenis van wetenschap en moraal. Het effect van de overschatting van zelfdenken is te zien in de haatmail op internet en twitter, maar ook de ontkenning van de kennis en vaardigheden van professionals als medici, journalisten, maar ook ambulance medewerkers en brandweerlieden. Maar een ander effect is ook dat verschillen van meningen lastiger bespreekbaar zijn, omdat iedereen recht heeft op een eigen mening. Ook werkt het door in het moeilijke gesprek tussen verschillende culturele identiteiten. Het recht op een eigen mening en het scherpe debat bemoeilijkt het zoeken naar de oplossing van conflicten, omdat harmonie saai is en je met saaie dingen geen mensen trekt. (Premier May zegt bijv. in haar slottoespraak ‘compromissen zijn niet meer in de mode’. Ze ziet toenemende polarisatie en ze maakt zich bezorgd over de staat van de Britse politiek. Bron NOS 18-7-’19) Iets minder nadruk op het ik en de eigen mening is nodig. Citaat:

‘Waarheid is wat ons verbindt’ (Karl Jaspers). Alleen waarheid en het oprechte streven daarnaar verschaffen ons de ruimte waarin nieuwe theorieën geopperd en bediscussieerd kunnen worden en waarin je ook eens flink de fout in kan gaan zonder dat je kop er meteen af gaat, omdat er in elk geval eensgezindheid heerst op het punt dat wij allemaal simpelweg beter willen begrijpen’. p. 185

  • Praktisch denken

De mondige mens die vrij handelt, wil niet alleen zijn stemming of gevoel volgen, maar daar een reden voor hebben. De rede als het besef van onze ideeën en hun samenhang bestaat onafhankelijk van welke openbaring dan ook is in elk mens aanwezig. De vraag is wat we met deze autonomie doen. Stangneth zoekt naar een goede verhouding tussen rede en religie of breder levensbeschouwing. De verlichting leerde dat de cognitieve vermogens van de mens gericht zijn om zich op te oriënteren op het eigen leven en de omgeving met het doel deze te verbeteren. Ze is niet gericht tegen beschouwen en houdt ook geen belofte in. Denken is allereerst  gericht op een praktisch doel. En we zijn daarbij niet alleen verantwoordelijk voor ons handelen, maar we moeten er ook voor zorgen dat het innerlijk handelen, ons denken niet in tegenspraak is met de moraliteitseis. Deze criteria zijn op allerlei religies en hun aanhangers te leggen.

Slotparagraaf. Hier herneemt Stangneth haar boek. Ze stelt dat we een vrijheid van denken hebben. Of we die vrijheid gebruiken zoals vogels kunnen vliegen is de vraag. Filosofen gaan meestal uit van de goede kracht van het denken, maar de vorige eeuw heeft laten zien -nationaalsocialisme- dat er ook verkeerd denken is. In een citaat:

‘ook moordenaars kunnen denken en sommige kunnen dat sneller, consequenter en behendiger dan we ons kunnen voorstellen. De filosofie heeft in haar liefde voor het denken te vroeg gelachen en gedacht dat de filosofie het zonder ethiek zou kunnen stellen en dat ook grote denkers zich kunnen vergissen en gevaarlijke gedachten kunnen ontwikkelen. Het is de rede immers die ons in staat stelt te beseffen dat de dingen niet zijn zoals ze zouden moeten zijn, die ons een ‘moraliteitseis’ stelt’.

Die moraal, schrijft Stangneth, ‘is doodeenvoudig en betreft de hele mensheid: eerbiedig het leven, laat de wereld niet slechter achter dan je haar aantrof. Het is de rede die ons in staat stelt onszelf en onze daden tegen het licht te houden en die ons kan aansporen te doen wat volgens ons juist is’. 

Eigen verwerking.

  • Wat blijft hangen na het lezen van het boek is de nuance die nodig is om grip te krijgen op het redelijk denken en handelen om het kwaad te voorkomen. Ligt het primaat bij het individu? Ja de persoon kan zich aanleren om via het denken steeds opnieuw alles te onderzoeken en te bevragen. Hij kan zijn wil trainen en bij het handelen steeds meer de feitelijke situatie vergelijken met de wenselijke. Maar Stangneth laat zien dat er niets zo veranderlijk is als de mens en zijn discipline als het gaat om denken, willen en handelen. Het kwade zit in ons (Kant), maar we moeten ook toegeven dat ons denken en handelen vaak onbewust kwaad is (Arendt). We weten wat het goede is, we willen er aan werken en toch lukt het niet. Ook een te sterke nadruk op het ik (Dikke ik Kunneman) is eenzijdig en daardoor een gevaar. Ligt het primaat bij de groep of onderwijs, of mensen die elkaar corrigeren en bij de les houden? Stangneth noemt dit meerdere keren als oplossing. Maar de groep is ook gevaarlijk. We willen graag bij een groep horen en blijken ons sterk te richten op de regels en afspraken van hun sociale netwerk. Niet veel mensen denken zo autonoom en los van de groep. Tenslotte zou het primaat bij de moraliteit, bij waarden en normen of Geloof kunnen leggen? Ja als Stangneth stelt dat we als mensen intuïtief en reflexief weten wat eerlijk, goed of waardevol is. Dat zit in elk mens. Maar zoals Kant stelt mag een levensbeschouwing of kernwaarde de kracht van het redelijk en zelfbewust denken niet bepalen. Ideeën, waarden en deugden, religies en levensbeschouwingen kleuren het juiste denken te veel in, maken het denkterrein te klein. Hij maakt de mens niet vrij. Haar eigen bijdrage rondom het academische kwaad is dat denken zonder de vraag naar ethiek of moraal gevaarlijk is. Denken om het denken, aan je identiteit werken om maar een identiteit te hebben.
  • Onder het grote thema kwaad staan de filosofische begrippen rede, moraal, wil en vrijheid op een bepaalde manier in verbinding met elkaar en voorkomen zo een te eenzijdige benadering.
  • Stangneth zoekt naar een manier om het kwaad ‘voor te zijn’. Je zou het de aanpak van het bewuste denken kunnen noemen. Maar makkelijker gezegd dan gedaan want niets menselijks is ook mij vreemd.  Door het boek heen geeft ze af en toe stappen en  regels. Ik geef er enkele van haar methode de ‘kritiek van de dialogische rede’
    • Echt vrij denken zoals de vogels vliegen, helemaal los van regels en ordening, is een luxe (Het spel van het piekeren. Charles S. Pierce)
    • Zo vrij denken houdt je niet lang vol. Mensen hebben behoefte aan geordende gedachten, waarin een zekere consequentie zit. Dit verlangen de ervaringen in de wereld te ordenen en te begrijpen is gericht op het uitoefenen van controle op de wereld en onze gedachten.
    • Wees niet naïef en hanteer een sceptisch optimisme. Filosofen vertrouwen te veel op het bewuste denken waaruit het goede zal volgen en de gedachte dat uit denken ook kwaadaardige wegen kunnen ontstaan zit niet in hun systeem. Stangneth benoemt dat ook moordenaars kunnen denken en  vaak slimmer en handiger zijn dan wij.
    • De rede is een instrument om ruimte voor ontplooiing van mensen te scheppen. Dat wil zeggen het recht om elke gedachte te denken en elk experiment te houden alles in twijfel te trekken en van alles te vragen naar het waarom. Alles met uitzondering van dit ene: de moraal die vanzelf spreekt. (Die aan alles vooraf gaat). Zo denken is een blijven proberen. Anders zijn we dieren.
    • Kant leert je dat de rede je helpt om reflexief naar jezelf en het belang van de mensheid te kijken. Bij jezelf gaat het om de vraag of je idee en je handelen op één lijn staan en er geen discrepantie tussen zit. Bij mensheid gaat het om wat het gemeenschappelijk goede. Is wat ik vind en doe in overeenstemming met wat anderen vinden? Sterker: wat zij ‘uiteindelijk’ van waarde vinden, principieel goed of na te streven?
    • Van Arendt neem ik het twee-in-een denken mee. (Dit is naar mijn idee verder uitgewerkt door Harry Frankfurt en Charles Taylor. Zie) Het is kenmerkend dat we kunnen reflecteren op ons denken en doen. Dat wil zeggen goed nadenken over het tussengebied tussen feitelijk denken en het zien van andere alternatieven (Arendt) en denken en uiteindelijk handelen (Kant). Ben ik me hier van bewust of toch nog vaak onbewust? Door te handelen of juist niet te handelen (nalatigheid) ben ik deel van ontwikkelingen die niet te verkiezen of sterker heel slecht zijn.
  • Je kunt je de vraag stellen of moraal alleen via de rede en zelfbewustzijn binnen komt. Mogelijk zijn er meer wegen.  Bekend is dat ouders zich, door de geboorte van hun eerste kind, bewust worden van de kwetsbaarheid van het leven, van ander leven. De ervaring van het geboren zien worden, de afhankelijkheid van het kind van voeding, gewassen en geknuffeld worden enz. verbinden mensen met hun idee over moraal. Je kunt ook denken aan de kracht van beelden. Toen er enkele jaren geleden een foto de wereld over ging van een klein dood jongetje op een strand ergens in de middellandse zee deed dit veel stof opwaaien. Een beeld kan heel krachtig zijn en mensen aan het denken zetten of in beweging brengen of niet. Allerlei actiegroepen en belangengroepen gebruiken dit mechanisme om voor hun zaak te vechten. En je kunt denken aan alle mensen die zorg verlenen aan kwetsbare mensen. Vaak is dit uit liefde, intuïtie, de natuurlijke behoefte om iets voor een ander te willen doen. Als je hen vraagt zeggen ze vaak: Dat doe je toch gewoon. De vraag is of er voor de rede niet iets anders zit dat net zo belangrijk is dan het zelfbewuste denken.
  • Dit boek van Stangneth, hoe compact en lastig geschreven, is origineel en hielp mij om dichter bij het thema te komen. Er zijn veel raakvlakken met andere boeken die we lazen. Ik noem het boek Kopstukken Taylor en zijn analyse van het denken van de geschiedenis van de moderne mens. Hij fundeert daarin het hedendaagse denken met wat hij de onthechte rede  of het puntvorming zelf noemt. Een rede zonder een verdere horizon of besef van sterke waarden. Maar lazen we twee boeken over de wil, waar bovenstaande vraagstukken behandeld werden. Zie.

Verwijzingen:

  1. Recensie Bas Heijne NRC Handelsblad. Zie
  2. Recensie Hans Achterhuis Groene Amsterdammer. Zie.
  3. Recensie Marjan Slob Volkskrant. Zie.

Ontdek meer van Filosofie lezen

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Plaats een reactie